Malcolm
B. Willis BSc (Dunelm, 1956) PhD (Edin. 1960)
Hon Assoc RCVS (1996)
Inleiding
Het is momenteel in bepaalde
kringen in de mode om een zwaar hoofd te hebben in de toekomst van
rashonden. Meestal beweert men dit op basis van inteelt en deze berichten
verspreiden zich op het internet als een epidemische ziekte of een virus.
Zelfs in hoofdartikelen van hondenbladen begint men vragen over dit onderwerp
te stellen. In sommige Europese landen, met name Nederland en Duitsland,
proberen politici regels in te voeren met betrekking tot het fokken van
honden. Ik heb weinig vertrouwen in politici wanneer zij zich beperken
tot de politiek en in het geheel geen vertrouwen in zulke individuen wanneer
zij een oordeel vellen over de biologie, de genetica en de hond, onderwerpen
waar zij waarschijnlijk niets van afweten en in deze worden geadviseerd
door mensen met zelfzuchtige motieven.
Alhoewel sommige soorten
(zoals windhonden) ongeveer in hun huidige vorm al zo'n zesduizend jaar
bestaan, voert de geschiedenis van tegenwoordige soortgenoten, zoals Saluki's,
Afghaanse windhonden of Greyhounds, niet terug naar deze vroege periode.
In de tussentijd zal er veel vermenging hebben plaatsgevonden. De stambomen
van de meeste moderne rassen gaan doorgaans zo'n 100 à 125 jaar
terug, sommige rassen zijn zelfs jonger. De (Engelse) Kennel Club werd
in 1873 opgericht en het valt te betwijfelen of er voor die tijd betrouwbare
stambomen hebben bestaan. Ervan uitgaande dat een generatie bij de hond
ongeveer 4,5 jaar is, gaan de stambomen 22 à 28 generaties terug.
Alle honden stammen af van
de wolf (waarschijnlijk verscheidene soorten) en hun domesticatie begon
tien à twaalfduizend jaar geleden. Het is populair om het gedrag
van wolven te bestuderen en te concluderen dat het gedrag van de hond is
veranderd. Natuurlijk is dat zo. Bepaald gedrag van de wolf zou voor de
hond geen enkele functie hebben, bijvoorbeeld het begraven van voedsel,
of voedsel opbraken voor de pups. Sommig gedrag is niet uitvoerbaar omdat
de bouw en gesteldheid van de hond zijn veranderd en dit verhindert bepaalde
activiteiten. Of het nu goed is of fout, wij hebben de neiging honden te
selecteren op behoud van hun jeugdig uiterlijk en dit betekende het ontstaan
van hangoren (niet zo expressief als opstaande oren), terwijl behaarde
snuiten en gecoupeerde staarten de communicatieve vaardigheden van de hond
beperken en hij minder in staat is zijn boodschappen duidelijk te maken
aan andere honden. Dat het gedrag van de moderne hond is gaan afwijken
van het gedrag van de wolf is in de meeste gevallen geen probleem. Dat
zou het geval kunnen zijn wanneer honden gaan verwilderen, maar in de moderne
samenleving proberen wij dat doorgaans te vermijden. De Border Collie die
de schapen hoedt volgt de jaaggewoonten van de wolf, maar dit gedrag eindigt
niet met een gedode prooi omdat de mens door middel van selectie een gedragsmatige
wijziging tot stand heeft gebracht. In tegenstelling daarmee is de vechtlustige
aard van sommige Pitbull terriërs niet in het minst wolfachtig en
blijkt daaruit de corrumperende invloed van de mens op dit tragische ras.
Waar we voorzichtig mee
moeten zijn is het beschouwen van de wolf als een soort prototype waaraan
de hond moet voldoen, en dat geldt met name wanneer wij het over inteelt
hebben. Om dit te kunnen bespreken dienen wij nader op het begrip inteelt
in te gaan.
De definitie van inteelt
Met inteelt wordt doorgaans
bedoeld de voortplanting van aan elkaar verwante individuen, maar die definitie
is te algemeen. Wanneer wij kijken naar de stamboom van elk individu van
welke soort dan ook, merken wij dat het aantal voorouders in elke
generatie verdubbelt. Wij hebben twee ouders, vier grootouders, acht overgrootouders,
enz. In de twintigste generatie hebben wij in feite 1.048.576 voorouders
en tweemaal zoveel in de eenentwintigste generatie. Het zal iedereen duidelijk
zijn dat welke soort je ook onderzoekt, je op een gegeven moment komt op
een punt waarin er meer voorouders op een stamboom staan dan er in die
periode individuen leefden. Dit kan duidelijk worden aangetoond in de stamboom
van elke hond. In een numeriek groot ras is het mogelijk dat je binnen
vijf generaties geen gemeenschappelijke voorouders vindt, maar binnen tien
generaties zullen bepaalde voorouders regelmatig voorkomen, en hoe verder
je teruggaat in de tijd, hoe duidelijker dit wordt. Bestudeer de stamboom
van een willekeurige Boxer en je komt op een gegeven moment Lustig von
Dom tegen. In welk land dan ook de hond is gefokt, neem de stamboom van
een Berner Senner en ga ongeveer elf generaties terug (naar het eind van
de jaren veertig) en je zult daar de hond Pluto von Erlengut uit Newfoundland
aantreffen. (Het is mogelijk dat er enkele geïsoleerde lijnen bestaan,
maar hun aantal is te verwaarlozen.)
Men kan inteelt niet eenvoudigweg
definiëren als de voortplanting van aan elkaar verwante individuen.
De correcte definitie is: de voortplanting van individuen die meer
aan elkaar zijn verwant dan het gemiddelde van de populatie waaruit zij
voortkomen. Dit betekent dat een correcte definitie van inteelt
van ras tot ras en van land tot land kan verschillen. Op basis daarvan
kan echter wel een absolute waarde worden vastgesteld.
Inteelt wordt gemeten door
middel van Wright's inteeltcoëfficiënt, dat vanaf de jaren twintig
van de vorige eeuw wordt gebruikt. Het kan worden uitgedrukt als een percentage,
bijvoorbeeld 12,5%, of als een verhouding, bijvoorbeeld 0,125. Het meet
de toegenomen homozygotie die waarschijnlijk bij een individu zal voorkomen.
Als je een Boxer door een Boxer laat dekken krijg je Boxers, wat geen verrassing
is omdat in de loop der jaren natuurlijk veel genen in het ras zijn vastgelegd.
Dit betekent dat alle individuen drager zijn van dezelfde combinatie van
deze genen. Alle Berner Senners zijn bijvoorbeeld drager van de non-merle
versie van het gen voor merle en zijn dus allen mm op die locus. Ook zijn
zij allen atat en de grote meerderheid is BB, hoewel
een zeer klein aantal Bb moet zijn en een zeer minuscuul deel bb. Het feit
dat zij homozygoot zijn op deze loci heeft geen enkele invloed op het welzijn
van de hond en dat zal van toepassing zijn voor veel loci. Homozygotie
is geen ziekte. Nota bene: alhoewel er bij de Berner Senner sprake is geweest
van inteelt, is de verspreidingsgraad van bb dieren (een kleurprobleem,
geen ziekte) niet toegenomen en hebben de meeste fokkers er nog nooit één
gezien.
De gevolgen van inteelt
Of wij ons nu met inteelt
bezighouden of niet, is niet van invloed op de genen die vastliggen in
alle leden van het ras, maar bij de niet-vastliggende genen zou het leiden
tot een toenemende homozygoteit en een afnemende heterozygoteit. Wanneer
wij een gen hebben dat wij N zullen noemen, met als alternatieven N en
n, dan wij hebben drie mogelijkheden: NN, Nn en nn. Inteelt brengt ons
dichter in de buurt van de versies NN en nn, ten koste van Nn. De meeste
latente eigenschappen neigen ertoe recessief te zijn. Want wanneer een
ongewenst kenmerk dominant is en zichtbaar, dan fokt men met deze hond
doorgaans niet verder. Dus neigen de meeste abnormaliteiten en ongewenste
eigenschappen ertoe recessief te zijn (het nn equivalent) terwijl normale
dieren NN of Nn zijn (de zogenaamde dragers). Wanneer inteelt ons dichter
in de buurt van NN en nn brengt, dan is het eerste wat wij zullen zien
een toename van latente eigenschappen. Maar veel zeldzame genen zullen
door inteelt verloren gaan, afhankelijk van de populatie. Bovendien: zodra
de nn dieren en sommige Nn dieren zijn geïdentificeerd, kunnen zij
worden uitgesloten van deelname aan de fokprogramma's. Inteelt vindt niet
geïsoleerd plaats maar gekoppeld aan selectie, en dat is zeker het
geval bij erfelijke afwijkingen van honden.
Inteelt bij de Berner Senner
zou bijvoorbeeld het risico van hypomyelinogenese (trembler) doen toenemen,
maar slechts in zeer geringe mate omdat het reeds een zeldzaam verschijnsel
is. Daarentegen zou het risico op kanker niet toenemen (hoewel dit niet
noodzakelijkerwijs een enkelvoudige eigenschap is) omdat ongeveer 40% van
het ras al door een of andere vorm van kanker is overleden. Wanneer jouw
lijn echter geen drager is van een specifieke afwijking, zal die door inteelt
niet ontstaan. Onze eigen lijn begon bijvoorbeeld met een hond met een
voorbeeldig karakter, die de zoon van een "trembler drager" was. Dit betekende
dat onze hond een kans van 50% had dat hij drager was van het trembler
allele, dus 50% kans dat dit niet zo was. Nauwe inteelt (> 25% inteelt)
binnen de lijn heeft aangetoond dat hij geen drager was van het trembler
allele en dus is het niet aanwezig in onze lijn. Vergeet niet dat fokkers,
zelfs wanneer zij zich met inteelt bezig houden, ook gebruik maken van
selectie, dus wij hebben het niet alleen over inteelt, maar over inteelt
met selectie, en dat is een heel ander verhaal.
Wat wij weten is dat inteelt
iets met zich meebrengt dat inteeltdepressie wordt genoemd.
Dit hangt af van een formule,
namelijk: -2F dpq.
Dat lijkt ingewikkeld, dus
laat ik er iets verder op ingaan. Het begrip F houdt verband met het inteeltcoëfficiënt.
Wanneer de voortplanting plaatsvindt tussen broer en zuster, is de F waarde
0,25 (25%) en tussen halfbroer en halfzuster is dit 0,125. Dus 2F betekent
tweemaal de inteeltcoëfficiënt van de populatie. De begrippen
p en q staan in verband met de frequentie van de alternatieve genen in
de populatie. Stel dat de helft van de genen in het ras N is en de andere
helft is n, dan is de p frequentie (N) 0,5 en de q frequentie (n) eveneens
0,5. Wanneer slechts tien procent van de genen n is, dan is p gelijk aan
0,9 en q gelijk aan 0,1.
Het begrip d houdt verband
met de mate van dominantie. Dit wordt gemeten op basis van het gemiddelde
van beide ouders. Stel dat de schouderhoogte een enkel genetisch verschijnsel
is en wij laten een teef met een schouderhoogte van 60 cm dekken door een
reu met een schouderhoogte van 66 cm, dan is (na correctie i.v.m. de verschillen
tussen reuen en teven) het gemiddelde 66+60/2=63. Wanneer het nageslacht
van deze dekking een gemiddelde schouderhoogte van 63 cm heeft, dan is
er geen dominantie en is d gelijk aan 0.
Wanneer het nageslacht een
schouderhoogte van gemiddeld 64 cm heeft, dan dit is 1cm boven het gemiddelde,
dus d=1.
Het zal duidelijk zijn dat
de schouderhoogte een veel complexere materie is en de formule heeft het
symbool om alle loci samen te vatten. Maar het begrip dpq is afhankelijk
van de mate van dominantie. Wanneer d=0, dan is het begrip dpq ook gelijk
aan nul en is er geen sprake van inteeltdepressie. Dienovereenkomstig is
het pq deel hoger wanneer er sprake is van gemiddelde in plaats van uiterste
waarden.
De opvatting dat inteelt
altijd problemen veroorzaakt is dus te kort door de bocht. Wanneer er geen
dominantie is, is er geen depressie ten aanzien van dat verschijnsel. De
critici van inteelt vertellen je dit zelden of nooit.
Zonder al te veel wiskunde
kan worden aangetoond dat bij eigenschappen die in betrekkelijk hoge mate
erfelijk zijn, d ertoe neigt laag te zijn, terwijl d hoog kan zijn bij
eigenschappen die in lage mate erfelijk zijn. Inteeltdepressie, zoals men
het noemt, komt waarschijnlijk het duidelijkst tot uiting in de vruchtbaarheid
en het minst duidelijk in eigenschappen als bepaalde aspecten van bouw
en gestel, die vaak tamelijk erfelijk zijn, namelijk meer dan 0,40 (40%).
Inteelt zal niet veel invloed
hebben op zeer erfelijke eigenschappen, maar mogelijk wel op minder erfelijke
eigenschappen. Een fokker kan terecht beweren dat instandhouding van de
vruchtbaarheid gewenst is omdat hij anders niet als fokker kan functioneren.
Maar hoe zit dat met de grootte van het nest? Een varkensfokker wil graag
zo groot mogelijke nesten, dus wanneer inteelt leidt tot kleinere nesten,
zou dat zeer schadelijk zijn voor een varkensfokker. Dat verhaal gaat niet
op voor een hondenfokker.
Een normaal nest Duitse herders
bevat ongeveer acht pups, terwijl de grootte van een nest Engelse dwergkeesjes
dichter in de buurt van twee komt.
Wanneer men een volgende
generatie wil fokken, dan kan men in het geval van de Duitse Herder een
keuze maken uit twee van de acht of de beste 25%, terwijl de fokker van
het nest Engelse dwergkeesjes het hele nest moet houden en dus niet kan
selecteren, tenzij hij een tweede nest produceert. De fokker van Engelse
dwergkeesjes zou echter vier nesten moeten fokken om dezelfde selectie
als de fokker van de Duitse Herders te kunnen maken, hetgeen meer tijd
in beslag neemt, waardoor de generatie-interval toeneemt. Als fokker van
Duitse Herders wil men een hond met een goed karakter, typisch voor het
ras en vrij van de belangrijkste erfelijke problemen, alsmede (wanneer
men exposant is) een hond die winnaar wordt op de show of op werkproeven,
of beide. Indien het is een gezelschapsdier is dan wordt het winnen minder
belangrijk, maar de andere kenmerken zullen van toepassing zijn. Wanneer
men besluit tot inteelt en die inteelt heeft geen gevolg voor in hoge mate
erfelijke eigenschappen, maar leidt wel tot verminderde grootte van het
nest (van acht naar zes pups), dan zou dit nest desondanks de moeite waard
zijn, al was er maar één uitmuntend exemplaar bij. Een varkensfokker
wil uniformiteit en grote aantallen; een hondenfokker (en ook een fokker
van renpaarden) wil een uitzonderlijk dier, en een groot aantal middelmatige
pups kan economisch aantrekkelijk zijn, maar leidt niet tot bijzondere
resultaten. Wanneer wij telkens een nest van zes pups konden produceren
met één wereldkampioen en vijf middelmatige honden, zou dat
zinvoller zijn dan het fokken van een nest met acht middelmatige pups.
Ik ken weinig fokkers die het niet met dat idee eens zouden zijn.
Ontwikkeling van de fokkerij
Een ras is een verzameling
van dieren die aan elkaar zijn verwant, een specifieke oorsprong hebben
en verscheidene gemeenschappelijke kenmerken hebben. Tijdens de ontwikkeling
van rassen was er sprake van een duidelijke voorkeur voor inteelt om verscheidene
kenmerken, voornamelijk van fenotypisch belang, vast te leggen. Toen het
Longhorn vee de norm was, kenmerkte de ontwikkeling van de Shorthorn zich
niet alleen door kortere hoorns, maar ook door een afwijkende kleur en
vorm. Bij de ontwikkeling van de Orlov Trotter in Rusland, aan het einde
van de achttiende eeuw, was inteelt een algemeen verschijnsel en Kelley
(1946) toont een stamboom van Lubensoi III, met een inteeltcoëfficiënt
van meer dan 64% binnen zeven generaties, hoger dan elke hondenstamboom
die ik heb gezien, afgezien van kolonies gefokt voor onderzoek, dus geen
"echte honden".
Hondenrassen zijn in veel
gevallen geselecteerd voor een specifieke taak, die kan variëren van
schoothondje tot het verrichten van allerlei werkzaamheden. Zonder een
hoedende hond (Border Collie, Kelpie, enz.) zou een schapenboer in veel
Europese en Amerikaanse situaties zwaar gehandicapt zijn. In de Verenigde
Staten zijn de honden die het vee beschermen (Berghond van de Maremmen,
Anatolische Herdershond, enz,) zo belangrijk dat het zonder hen in bepaalde
regio's onmogelijk zou zijn veeboer te zijn, vanwege aanvallende roofdieren.
Maar de eigenschappen van de hoedende hond vindt men niet bij de honden
die het vee beschermen. De ene hond kan de andere dus niet vervangen en
beide soorten zijn nodig, dat dient men goed te beseffen. Honden hebben
een specifiek doel en zijn nodig voor dat doel, zelfs al is het slechts
als metgezel van een alleenwonende gepensioneerde.
De Duitse Herder is de politiehond
bij uitstek. De Britse politie heeft o.a. gewerkt met Rottweilers, Dobermanns,
Bouviers en Mechelse Herders, maar voor algemene politietaken is de Duitse
Herder desondanks de hond die met kop en schouders boven de andere rassen
uitsteekt, alhoewel de politie vrijwel geen eigen honden fokt en men dus
afhankelijk is van fokkers die oorspronkelijk niet de bedoeling hadden
om politiehonden te fokken.
Bepaalde rassen zijn de mens
niet alleen behulpzaam in zijn werk, maar verrichten ook andere taken,
zoals het functioneren als de ogen van visueel gehandicapten. Honden als
Labradors en Golden Retrievers, oorspronkelijk gefokt als jachthonden,
worden nog maar weinig ingezet voor het apporteerwerk bij de jacht, maar
zij hebben andere vaardigheden ontwikkeld, zoals die van geleidehond en
hulphond. Dit duidt op een geweldige veelzijdigheid en aanpassingsvermogen,
maar nogal wat regeringsadviseurs schijnen het liefst te worden verlost
van de rashond. Wanneer kruisingen en bastaarden ideaal zijn, waarom zijn
zij dan niet al jaren gebruikt? Twintig jaar geleden bezocht ik Zuid-Afrika,
waar de politie bezig was met het kruisen van Bloedhonden en Rottweilers/Dobermanns
voor werkdoeleinden. Ik keerde een paar jaar geleden terug naar Zuid-Afrika
en de gekruiste dieren vormden een minuscule minderheid, terwijl de Duitse
Herder met zijn prima politiekwaliteiten een overgrote meerderheid vormde.
Kruisen heeft een nuttig
doel bij de productie van runderen, schapen en varkens en geen enkele agriculturele
wetenschapper zou de wijsheid van zo'n actie betwijfelen. Bij dergelijke
dieren is het concept van raszuiverheid inderdaad bijna overbodig. Maar
overal in de wereld zie je bijna alleen nog maar de zwartbonte afstammelingen
van Nederlandse Holsteiners en Friezen, terwijl rassen als Jerseys, Guernseys
en Ayrshires bijna niet meer bestaan. Toen ik in het begin van de jaren
vijftig student was, was de Dairy Shorthorn het grote ras in Groot-Brittanië,
maar het ras is nu een zeldzaamheid. Dit kwam niet door de druk van de
wetenschap, maar door het feit dat de Holstein-Fries zoveel geschikter
bleek dan alle andere rassen. In de meeste veestapels wordt niet gekruist
omdat de Holstein zo ver boven de andere rassen uitsteekt dat kruising
een achteruitgang zou betekenen. Inteelt is echter nauwelijks een probleem,
alhoewel er in de loop van de geschiedenis veel kleine knelpunten zijn
geweest.
Verscheidene organisaties
in de wereld zijn bezig met het behouden van zeldzaam raszuivere rundveerassen
in de hoop dat er op zekere dag behoefte is aan hun specifieke eigenschappen.
Zulke organisaties zijn zich bewust van het risico van inteelt, maar zij
zijn vastbesloten de zuiverheid van het ras in stand te houden. Daarentegen
worden de hondenrassen in Nederland bedreigd met politieke bemoeienis,
onder het mom van instandhouding van het ras, maar met oplegging van zoveel
beperkingen dat zij de rol van de fokker wegcijferen en het invoeren van
draconische maatregelen, zelfs bij rassen die numeriek groot zijn. Ik heb
niet de beschikking over cijfermatig Nederlands registratiemateriaal, maar
in het Verenigd Koninkrijk registreren wij jaarlijks zo'n 20.000 Duitse
Herders en de gemiddelde levensduur is tien jaar. Dit betekent dat wij
in Groot-Brittanië op elk willekeurig tijdstip 200.000 Duitse Herders
hebben. Dat is dus geen populatie die risico's loopt. Daarentegen registreren
wij jaarlijks 800 Berner Senners met een gemiddelde levensduur van zeven
jaar. Onze populatie omvat dus te allen tijde 5.600 honden, hetgeen nauwelijks
risicovol te noemen is. Rassen die niet meer dan zo'n honderd individuen
kunnen vergaren, kunnen problemen krijgen, maar met die problemen zouden
wij omgaan naar behoefte van het ras, zonder dezelfde regels toe te passen
op de grote rassen met numerieke kracht.
Er is weinig onderzoek verricht
naar inteelt bij honden, maar McCarthy en Blennerhasset (1972) onderzochten
een kleine populatie van aan hondenrennen deelnemende Greyhounds in Ierland
en vonden een inteeltcoëfficiënt van minder dan 1% per generatie
of minder dan 0,22% per jaar. Omdat het de mens is toegestaan met een neef
of nicht te trouwen, hetgeen bij elke nakomeling leidt tot inteelt van
6,25%, staat de aan hondenrennen deelnemende Greyhound nauwelijks bloot
aan risico van inteelt. De studies van de meeste numeriek grote rassen
tonen dan ook aan dat inteelt over vijf generaties in het algemeen blijft
beperkt tot rond de 3 à 4%. Mijn eigen analyse (Willis, 1989) van
276 Boxer-kampioenen in Groot-Brittanië toonde een waarde aan van
gemiddeld 4,2%, terwijl meer dan de helft van de honden < 1% waren.
Uitgebreide stambomen zouden deze waarden enigszins doen toenemen, maar
daar hebben de fokkers de middelen niet voor. In zijn studie van geleidehonden
in Amerika toonde Pfaffenberger (1963) aan dat inteelt bij de hond Frank
of Ledge Acres de kans op succesvolle geleidehonden zou doen toenemen.
Het is waar dat Rehfeld (1970) aantoonde dat in een kolonie Beagles met
de toename van het inteeltcoëfficiënt het aantal doodgeboren
pups toenam, maar hij maakte gebruik van percentages tot 78% , veel hoger
dan bij rashonden gebruikelijk is.
Ubbink c.s. (1992) noemden
een tamelijk hoog niveau van inteelt (mediaan 6,4% tot 12,5%) bij de Bouvier
des Flandres in Nederland en het niveau was enigszins hoger bij sommige
honden met specifieke aandoeningen, maar niet voor alle aandoeningen en
de populatie was niet groot.
Niemand bestrijdt het feit
dat hoge niveaus van inteelt schadelijk kunnen zijn, maar in sommige gevallen
zijn de gevolgen van inteelt niet aangetoond bij minder dan 20% (broer
x zuster of ouder x nageslacht is 25%). Daarbij moet ik opmerken dat de
kudde wilde witte koeien van Chillingham, zo'n 75 kilometer van mijn woonplaats,
ongeveer driehonderd jaar heeft overleefd in genetische isolatie, met telkens
één stier als voortplanter, en dat de kudde desondanks nog
steeds sterk en gezond is, maar numeriek klein (ongeveer veertig koeien).
Met andere woorden: het hoge inteeltcoëfficiënt op papier wordt
niet weerspiegeld in de realiteit van alledag.
In het onderzoek van White
Park Cattle in 1991 bestond de effectieve populatie uit 79 individuen en
Alderson (1992) beweerde dat meer dan 15% van de variabiliteit verloren
kon gaan in de volgende vijftig generaties. Dan hebben we het over een
periode van ten minste 250 jaar, gedurende welke tijd dr Alderson en de
rest van ons niet langer bij het onderzoek betrokken zijn! Ik vind niet
dat wij serieus moeten proberen een fokprogramma voor 250 jaar uit te stippelen,
hoe belust wij ook zijn op macht en invloed.
De opvatting dat met de toename
van inteelt ook de verspreidingsgraad van afwijkingen zal toenemen is onwaarschijnlijk
(Alderson& Bodo, 1992) wanneer de afwijking een hoge frequentie heeft.
De langharige vacht van Duitse Herders (een esthetisch afwijking bij dit
ras) heeft bijvoorbeeld een verspreidingsgraad zodanig dat ongeveer 10%
van de Duitse Herders met een langharige vacht wordt geboren, hetgeen betekent
dat ongeveer de helft van de honden met een normale vacht drager is en
de andere helft vrij van het allele is. Er wordt niet veel aan gedaan en
er hoeft ook niet veel aan te worden gedaan, omdat sommige hondenbezitters
van langharige herders houden en het verschijnsel nauwelijks biologische
nadelen heeft. Alderson & Bodo (1992) beweren dat inteelt geen afbreuk
heeft gedaan aan programma's ter instandhouding van het ras, zelfs niet
toen sommige dieren 20% inteelt bereikten.
Ik sluit dit hoofdstuk af
met een verwijzing naar de eminente geneticus, wijlen Prof J. L. Lush van
het Iowa State College, een wereldautoriteit op het vakgebied van de genetica.
In zijn klassieke boek Animal Breeding Plans (1945) schrijft
hij: "Het lijkt redelijk zeker dat er meer mogelijkheden met betrekking
tot de vooruitgang van het fokken verloren zijn gegaan door geen inteelt
te laten plaatsvinden terwijl inteelt raadzaam was, dan er verloren is
gegaan door te veel inteelt." Sommige adviseurs van de Raad van Beheer
op Kynologisch Gebied in Nederland, in geen geval behorend tot de klasse
van Lush, zouden er goed aan doen dit klassieke boek, hoe gedateerd het
moge zijn, te herlezen.
Anomalie
De hond heeft ongeveer 30.000
genen en er zijn ongeveer 400 bekende afwijkingen gerapporteerd, veel daarvan
enkelvoudige autosome recessieven of aan seksualiteit gekoppelde recessieven,
en een enkele dominant terwijl er een aantal polygenetische afwijkingen
zijn. Ruim twintig afwijkingen konden worden gelokaliseerd door DNA-testen
en dergelijke afwijkingen kunnen dus snel worden geëlimineerd van
een populatie wanneer de testen worden toegepast. PRA heeft bijvoorbeeld
een lage verspreidingsgraad bij de Ierse Setter en zou volledig kunnen
worden geëlimineerd wanneer de DNA-gegevens van al het fokmateriaal
bekend zou zijn en de dragers van het PRA-gen van de fok zouden worden
uitgesloten. Soms, zoals bij kopertoxicose van Bedlington Terriërs,
is het gen is zo wijd verspreid dat een strenge selectie te drastisch zou
zijn en een voorzichtig gebruik van dragers en vrije honden nodig is om
andere eigenschappen voor het ras te behouden.
Voorzover DNA-testen kunnen
worden gebruikt hoeven fokbeperkingen slechts van toepassing te zijn op
verwijdering uit de fokprogramma's van de Nn en nn dieren (NN dieren zijn
homozygoot normaal). In het geval van andere afwijkingen moeten we in een
zo vroeg mogelijk stadium de aard en de voortgang van de afwijking vaststellen.
Hoezeer men ook dwergvorming
bij de Duitse Herder tracht te voorkomen, op een leeftijd van zeven weken
kan men de aandoening goed constateren en dus is er sprake van economische
schade van de fokker, niet ten nadele van de pupkoper. Zulke honden kunnen
worden weggegeven of men kan ze laten inslapen, en wanneer men zich ernstig
stoort aan deze vorm van selectie, dan is men te gevoelig om zich met het
fokken van dieren bezig te houden. Alle soorten, inclusief de mens, hebben
afwijkingen en vanwege mutaties zal dat altijd het geval zijn, dus moeten
wij met het probleem leren leven. Het is niet het belangrijkste aspect
van het fokken van honden. Afwijkingen die zich in een laat stadium manifesteren,
zoals sommige vormen van PRA, zijn ongewenst en fokprogramma's dienen te
worden bijgesteld om dragers te identificeren zolang dit niet door DNA-testen
plaats kan vinden.
Polygenetische eigenschappen
zoals gedragsafwijkingen, heupdysplasie, epilepsie, elleboogdysplasie,
enz zijn complexer van aard en voorzover er databanken beschikbaar zijn
dient ALLE fokmateriaal, voorzover deze afwijkingen in het betreffende
ras voorkomen, te worden getest en geregistreerd. De algemene ledenvergaderingen
van de rasverenigingen moeten beslissen wat een aanvaardbaar niveau van
registratie is en vervolgens kan de aangewezen kennel club regels opstellen.
Wetenschappelijk advies moet worden ingewonnen van ervaren wetenschappers
en hun ideeën moeten worden gebruikt om de regels te bepalen, maar
daarvoor zijn geen fokbeperkingen nodig of andere beperkingen van dekreuen
die aan de criteria voldoen.
In gevallen als heupdysplasie
kan per ras een acceptatieniveau worden bepaald (niet voor alle rassen
dezelfde regels) en kan men slechts reuen/teven gebruiken die dat niveau
halen. Vervolgens kan het nageslacht worden getest en wanneer een dekreu
(of fokteef) slecht produceert dan kan deze hond uit het fokprogramma worden
verwijderd. Er is op dit moment geen regelgeving op dit gebied in Groot-Brittanië,
maar er worden wel gemiddelde scores van het nageslacht gepubliceerd en
dit leidt tot het verminderd gebruik van bepaalde honden die zelf goede
uitslagen hebben maar als dekreu niet voor het gewenste gezonde nageslacht
zorgen. De meeste ervaren fokkers hebben genoeg gezond verstand om te weten
dat men niets bereikt met het gebruik van een hond die slecht vererft en
zij hebben echt geen wetenschapper nodig die hen vertelt hoe zij moeten
fokken, wanneer de betreffende wetenschapper geen andere ervaring heeft
met het fokken van honden dan voor vivisectiedoeleinden. De fokwaardeschattingen
van de SV in Duitsland, geproduceerd door dr Reiner Beuing, zijn nuttiger
dan allesomvattende beperkingen op het gebruik zonder dat dergelijke gegevens
beschikbaar zijn.
Beperking van dekreuen
Alhoewel meeste publiciteit
uitgaat naar abnormaliteiten van algemeen Mendeliaanse aard, zijn de werkelijk
belangrijke eigenschappen, zoals gedrag, uiterlijk, bouw, enz. polygenetisch
van aard.
De genetische theorie is
tamelijk duidelijk in de stelling dat de reactie op selectie per jaar wordt
aangetoond door de formule:
R = h2S
t
waarbij R de reactie per
jaar is, h² de erfelijkheid van het verschijnsel, S het selectiedifferentieel
en t de generatie-interval.
Laat ons als voorbeeld een
verschijnsel als schouderhoogte nemen, die bij de Duitse Herder een erfelijkheid
van ongeveer 0,63 (63%) heeft, en laten we aannemen dat de gemiddelde schouderhoogte
(we negeren het geslacht even) 64 cm is. Stel nu dat de standaardafwijking
van de schouderhoogte 2 cm is en dat de generatie-interval (de gemiddelde
leeftijd van dieren wanneer hun nageslacht wordt geboren) vijf jaar is.
Het selectiedifferentieel is de superioriteit van de ouders in relatie
tot het gemiddelde van de populatie waaruit zij voortkomen.
Stel dat wij van plan zijn
om de schouderhoogte van het ras te laten toenemen. Ik zeg niet dat dit
een logisch doel is, maar ik gebruik het voorbeeld om aan te tonen wat
de gevolgen kunnen zijn van het numeriek beperken van het nageslacht. Stel
dat fokkers de beste 10% van de dekreuen willen gebruiken, hetgeen in dit
geval de grootste dieren zijn. Uitgaande van de rasstandaard zal deze 10%
het gemiddelde overschrijden met 1,755 standaardafwijking, namelijk (2
x 1,755) of 3,51 cm. Met andere woorden: de beste 10% zou een gemiddelde
schofthoogte van 67,51 cm hebben.
De voortgang via de dekreuen
(ik heb de teven even buiten beschouwing gelaten) zal op jaarbasis bedragen:
R = 0,63 x 3,51 =
2,21 = 0,442 cm
De schouderhoogte is in een
jaar toegenomen van 64 naar 64,442, maar omdat wij geen rekening hebben
gehouden met de teven is dit verminderd met 0,221, dus wordt het 64,221.
Stel nu dat wij exact dezelfde
parameters gebruiken, maar nu zijn wij beperkt tot het gebruik van de beste
50% van de dekreuen. Deze 50% zal het gemiddelde overschrijden met 0,80
standaardafwijking, namelijk (2 x 0,8) = 1,6 cm. De voortgang via de dekreuen
bedraagt per jaar in dat geval:
R = 0,63 x 1,6 = 1,008
= 0,2016 cm.
De schouderhoogte is in een
jaar toegenomen tot 64,202 cm of (wanneer we de teef buiten beschouwing
laten) 64,101 cm.
Dat lijkt niet veel, en het
maakt dan ook duidelijk wat er zal gebeuren wanneer dekreuen worden beperkt
en dus meer dekreuen worden gebruikt, en dit effect zal plaatsvinden bij
elk verschijnsel dat je wilt veranderen. De hele basis van de genetica
is het selecteren van de beste exemplaren en het voortplanten van de beste
exemplaren met de beste exemplaren. Wanneer wij de beste honden beperkingen
opleggen, dan worden wij gedwongen de op één na beste hond
te gebruiken en wordt de voortgang verminderd. In de afgelopen vijftien
jaar zijn de heupscores van de Newfoundlander in Groot-Brittanië verbeterd
van ongeveer 35 totaalscore naar 22 totaalscore, door vermeerderd gebruik
van betere dekreuen. Wanneer de beste honden worden beperkt, dan zal er
minder verbetering van de heupscores optreden. Dat principe gaat voor vrijwel
alles op.
Sommige wetenschappers, wier
geloofsbrieven op het gebied van expertise t.a.v. het fokken van honden
wellicht toetsing behoeven, willen via de kennel clubs regels opleggen
aan fokkers, zonder waardering op te brengen voor hetgeen de fokkers proberen
te doen. Ik weet dat niet alle fokkers even vakbekwaam zijn, maar laat
de rasverenigingen en de kennel clubs in dat geval hun eigen straatje schoonmaken,
niet door beperkt gebruik van de beste honden, maar door er zeker van te
zijn dat de beste honden werkelijk de beste honden zijn en dat, binnen
redelijke perken, stappen worden genomen om zich ervan te verzekeren dat
deze honden niet alleen over de gewenste kwaliteiten qua karakter en werkvaardigheden
beschikken (beide zijn even belangrijk), maar ook over andere structurele
eigenschappen. Vergeet niet dat de hondenfokker is geïnteresseerd
in selectie op meerdere eigenschappen, niet slechts één kenmerk
maar een heel scala van kenmerken, met voornamelijk polygenetische eigenschappen.
Geen enkele hond zal in alle opzichten volmaakt zijn en men zal af en toe
wat door de vingers moeten zien, maar besluiten hierover dienen verstandig
en logisch tot stand te komen, door mensen die weten waar ze mee bezig
zijn.
De hond heeft overleefd als
het meest veelzijdige gedomesticeerde dier, nu al zo'n tien à twaalfduizend
jaar. Het dier is er niet bij gebaat wanneer er met hem wordt gerotzooid.
Wanneer er problemen zijn met numeriek kleine soorten, zoals Siberische
tijgers, gorillas of condors, betekent dat niet dat dezelfde dingen ook
opgaan voor de hond. Wanneer wetenschappers zonodig bezig willen zijn met
de genetica van kleine populaties, laat hen zich dan concentreren op de
bedreigde diersoorten in de natuur en laat hen de gedomesticeerde hond
met rust laten. Hondenfokkers willen advies, geen instructies.
Wanneer kennel clubs bang
zijn dat de Amerikaan Pitbull gevaarlijk is, en bij sommigen is dit inderdaad
het geval, beperk dan het fokken met deze honden en verlos je zonodig van
het ras, maar voorkom voorspelbare reacties die het einde betekenen van
rashonden, want het is tamelijk duidelijk dat dat het gevolg zal zijn van
de naderende regelgeving, die ook zal leiden tot meer ongeregistreerde
honden en vermindering van de macht van de kennel clubs. De kennel clubs
hebben de hondenfokkers meer nodig dan de hondenfokkers de kennel clubs
nodig hebben, en het wordt hoog tijd dat sommige Europese kennel clubs
zich gaan bezinnen en hun politieke meerderen dienovereenkomstig voorlichten.
De laatste man die ons probeerde zijn "genetische theorieën" (in dit
geval met betrekking tot de mens) op te leggen was Hitler, en wij hoeven
er niet aan te herinneren welke schade hij heeft veroorzaakt.
Bronnen
Alderson, G.L.H. (1992) A
system to maximise the maintenance of genetic variability in small populations.
(In genetic conservation of domestic livestock. Vol 2. Ed.
Alderson & Bodo) CABI, Wallingford.
Alderson, G.L.H. & Bodo
I. (1992) Review of Species and Breed studies. ( In Genetic
conservation of domestic livestock.Vol 2.Ed. Alderson & Bodo)
CABI, Wallingford.
Kelley, R.B. (1946) Principles
and methods of animal breeding. Angus & Robertson, Sydney.
Lush, J.L. (1945) Animal
breeding plans. Iowa State College Press (3rd ed).
McCarthy, J.C. & Blennerhasset,
T. (1972) A preliminary estimate of the degree of inbreeding in Irish racing
greyhounds. Dept Agriculture Journal 69: 3-9.
Pfaffenberger, C.J. (1963)
The new knowledge of dog behavior. Howell, New York.
Rehfeld, C.E. (1970). Definition
of relationships in a closed beagle colony. Am.J.Vet.Res.
31: 723-32.
Ubbink, G.J., Knol, B.W.
& Bouw, J. (1992) The relationship between homozygosity and the
occurrence of specific diseases in Bouvier Belge des Flandres dogs in the
Netherlands. Vet. Quart. 14: 137-40.
Willis, M.B. (1989) Genetics
of the Dog. Witherbys, London.
CV van de auteur
Kwalificaties zijn gedetailleerd
weergegeven om aan te tonen dat de auteur academicus is.
Dr Willis is geboren in 1935
in Yorkshire, Engeland. Hij heeft een BSc in agriculturele wetenschappen
van de universiteit van Durham en een PhD van de universiteit van Edinburgh
in genetica en het fokken van dieren, waar hij studeerde onder Prof. Alan
Robertson FRS. Van 1960 tot 1965 was hij geneticus bij de Milk Marketing
Board van Engeland en Wales. Van 1965 tot 1972 was hij hoofd dierwetenschappen
aan het Instituto de Ciencia Animal, universiteit van Havana, Cuba en van
1972 tot 1998 was hij senior wetenschappelijk docent in het fokken van
dieren & genetica aan de universiteit van Newcastle-upon-Tyne, Engeland.
Twee jaar lang was hij ook postdoctoraal vice-decaan van de faculteit agricultuur
& biologische wetenschappen. Hoewel hij thans gepensioneerd is, geeft
hij nog steeds één dag per week les.
Dr Willis kocht zijn eerste
Duitse Herder in 1953, in 1959 keurde hij voor het eerst en vanaf 1978
gaf hij CC's. Hij fokt ook Berner Senners, vanaf 1985, samen met zijn echtgenote
Helen en geeft CC's voor dat ras. Hij heeft in negen verschillende landen
Duitse Herders gekeurd en in vijf landen Berner Senners, op kampioenschapsniveau.
Hij heeft diverse andere landen bezocht om de Duitse Herder en de Berner
Senner te bestuderen.
Hij is auteur van o.a. de
volgende boeken: Genetics of The Dog (1989), The GSD:
a genetic history (1991) and The BMD today (1998).
Hij heeft in talrijke boeken hoofdstukken geschreven over een verscheidenheid
aan rassen en twee boeken over vee. Zijn laatste hoofdstuk (met dr K. Houpt
van Cornell) is over de genetica van het gedrag in Genetics of The
Dog (eds Ruvinsky& Sampson, 2001). In 1996 kreeg Dr Willis
van het Royal College of Veterinary Surgeons het Honourary Associateship,
de hoogste eerbetuiging die het RCVS aan een niet-dierenarts kan verlenen.
Ook kreeg hij in 1988 de gouden medaille van de Fokraad van Duitse Herders
in Australië in 1988 voor zijn diensten ten behoeve van het ras. Hij
is sinds de oprichting, in 1986, voorzitter van Fokraad van Duitse Herders
in Groot-Brittanië (een federatie van meer dan veertig verenigingen).
Hij is ook toezichthouder van de Fokraad voor Duitse Herders. Hij is president
en voorzitter van de Northern BMD Club. Hij heeft in talrijke landen cursussen
gegeven op het gebied van honden fokken, was adviseur van de politie en
schrijft regelmatig voor het blad Dogs Today.
c m. b. willis, 2002
(Dit artikel is met toestemming
van de auteur vertaald door Jaap van der Wijk. Het originele engelstalige
artikel vindt u hier: http://www.joebattsarm.com/FokkersGazet/willisInbreed.html
) |