.
Opzienbarende visie Amerikaanse geneticus
 
 
Terwijl de Raad van Beheer de visie van haar eigen populatiegeneticus telkens weer naar voren schuift als de enige zaligmakende theorie van het fokken van rashonden, vond de NVFR de tijd rijp voor een second opinion. 
Professor Dr. George A. Padgett is sinds 1977 als hoogleraar werkzaam bij de faculteit voor veterinaire pathologie van de Michigan State University. Daarvóór werkte hij twaalf jaar bij de faculteit voor veterinaire pathologie van de Washington State University. Dr. Padgett is een bekende auteur die meer dan tweehonderd publicaties op zijn naam heeft staan en zijn wetenschappelijk werk wordt door tal van veterinaire en kynologische organisaties (waaronder OFA) als toonaangevend beschouwd. Hij heeft lezingen gehouden voor 93 nationale Amerikaanse rasverenigingen en meer dan honderd regionale kynologenverenigingen. Hij heeft artikelen geschreven waarin hij aantoont op welke wijze 32 overdraagbare aandoeningen bij honden worden vererfd. In 1977 won Dr. Padgett de Eukanuba Canine Health Award voor het beste artikel over de gezondheid van honden, op voorspraak van de Dog Writers Association of America.  
.
Dr. Padgett's visie op het fokbeleid staat haaks tegenover die van de Raad van Beheer (Ed Gubbels). Hij is een tegenstander van het beperken van het gebruik van kampioenshonden en noemt deze honden "matadoren" wanneer zij meer dan 50 pups hebben voortgebracht. Dr. Padgett hanteert de opvatting dat een hond die veel gebruikt wordt, veel nakomelingen heeft, en hoe meer nakomelingen er zijn, hoe meer onderzoek je kunt verrichten naar het erfelijk materiaal. Hoe meer je weet van het erfelijk materiaal, hoe groter de mogelijkheid om tot een weloverwogen keuze van de combinatie reu-teef te komen. Dr. Padgett maakt daarbij gebruik van de Wet van Hardy-Weinberg, waarmee per individuele hond (dus niet per ras) een gemiddelde erfelijke belasting kan worden berekend.  
In zijn boek Control of Canine Genetical Diseases geeft Dr. Padgett er blijk van voorstander te zijn van een evenwichtige aanpak ten aanzien van het doel om goede, gezonde honden te fokken, in plaats van het kind met het badwater weg te gooien. Men moet zowel de goede als de slechte erfelijke eigenschappen van de individuele hond registreren. Vergeet niet dat alle honden genetische afwijkingen en ziekten hebben en zorg ervoor dat je je niet blind staart op de zogenaamde "kennels van naam". Zeg gerust: "Wij kennen de goede eigenschappen van onze honden," en wees trots op de prijzen die je hebt gewonnen, maar zeg nooit: "Dat kan bij mijn honden niet gebeuren." Want wanneer het vererven van een afwijking tot dusver niet is gebeurd, zal dat mogelijk in de toekomst wel het geval zijn. Probeer niet de genetische afwijkingen te verhullen, maar maak alle gegevens openbaar, zodat elke fokker er wat aan heeft. Dr. Padgett noemt het gebruik maken van onbekende reuen struisvogelpolitiek. Je weet immers niet welke afwijkingen deze reuen vererven en steekt daarmee je kop in het zand. Door ervan uit te gaan dat de onbekende reuen minder afwijkingen vererven dan de matadors, of door uit te gaan van de valse veronderstelling dat gebruikmaking van meerdere onbekende reuen in plaats van één bepaalde matador een "spreiding van de risico's" betekent, liegen wij onszelf voor. En daar moeten we mee ophouden, want uitgaande van het feit dat alle honden ongewenste eigenschappen vererven en van de mogelijkheid dat alle fokkers de goede en slechte erfelijke eigenschappen van hun individuele honden op een rijtje zetten en openbaar maken, kunnen we tot een juiste keuze komen en vooral: tot daadwerkelijke verbetering van de rassen en vermindering van de ongewenste erfelijke eigenschappen.