Woord vooraf
Wanneer ik het in dit artikel
heb over het Calvinisme, bedoel ik daarmee het cultureel Calvinisme, in
tegenstelling tot het religieus Calvinisme. Hoewel het cultureel Calvinisme
van oorsprong ten grondslag ligt aan de dogmatiek van het religieus Calvinisme,
is het hedendaags cultureel Calvinisme niet gebaseerd op enig geloof of
levensovertuiging, doch uitsluitend op "wandtegeltjesdogmatiek", die er
onder meer op neer komt dat men niet trots mag zijn op zijn eigen prestaties,
noch op zijn eigen uiterlijk, dat men zijn hoofd niet boven het traditionele
maaiveld mag uitsteken, dat men niet mag genieten van de goede dingen des
levens (Wein, Weib und Gesang) en dat men doet wat een ander hem opdraagt.
Dit cultureel Calvinisme, dat door velen wordt beoefend zonder het te weten,
en dat de basis vormt van de bureaucratie, heeft dus niets maar dan ook
niets te maken met religie. Het is niet het religieus Calvinisme waartegen
ik mij keer, maar het cultureel Calvinisme.
Iets anders: het begrip
"regeldrang" is in andere culturen dan de Nederlandse, de Duitse en de
Scandinavische, onbekend.
.
Een humanistische visie
Tegenover de Calvinistische
levenshouding staat de Hedonistische filosofie, die buiten het kader van
dit artikel valt. Wellicht kan men stellen dat de Calvinistische levenshouding
ooit, ruim driehonderd jaar geleden, een reactie is geweest op de bandeloosheid
en zedeloosheid van een enkeling, waardoor plotseling iedereen daarvan
moest worden weerhouden met strenge dogmatiek. Zelf hou ik het erop dat
het traditioneel Calvinisme (maar ook het traditioneel Katholicisme) economische
verschijnselen zijn die dienden om de lonen laag te houden en de arbeidsethos
hoog ("wanneer jullie in dit aardse bestaan hard werken, zonder te morren,
wacht jullie in het hiernamaals het eeuwige leven"), ter meerdere eer en
glorie van Kapitaal en Kerk.
In de humanistische opvatting
is de mens in principe goed. Alleen zijn opvoeding en ervaringen kunnen
hem tot een slecht mens maken. Deze opvatting staat dus haaks tegenover
de Calvinistische dogmatiek. Alhoewel het klassieke humanisme van Erasmus
voortkwam uit christelijke beginselen, kent het hedendaagse humanisme opvattingen
die veel en veel ouder zijn dan de joodse en christelijke cultuur, terwijl
tegelijkertijd opvattingen van filosofen uit de twintigste eeuw een belangrijke
rol spelen.
In het humanisme gaat men
ervan uit dat de natuurlijke goedheid van de mens in principe volstaat
om het verschil te kennen tussen goed en kwaad. Volgens deze filosofie
zijn er daardoor minder regels nodig, omdat elk mens wordt geacht verantwoordelijk
om te gaan met zijn vrijheid. Het cultureel Calvinisme trekt dit meteen
in het belachelijke en zegt dan: "als er geen verkeersregels waren, zou
iedereen door het rode licht rijden" en "als er geen plicht was om belasting
te betalen, zou niemand belasting betalen". Maar wellicht is er enig onderscheid
te maken tussen tussen de wegenverkeerswet en de minimale diameter van
de jonge prei of het maximum aantal dekkingen van een reu?
In het humanisme is men
vrij de filosofieën te kiezen waarvan men denkt dat deze goed zijn
voor de persoonlijke ontwikkeling en die van de mensheid, of die nu van
de buurman komen, van Calvijn of van Boeddha. In het cultureel Calvinisme
is en blijft men gebonden aan de eeuwige Calvinistische dogmatiek. Dat
is één van de oorzaken van de voortzettende ontkerking. Steeds
minder mensen geloven, steeds minder mensen gaan naar de kerk, omdat de
dogma's en beloften niet langer aanspreken, omdat de starheid, strengheid
en regeldrang uit de praktijk lijnrecht tegenover het theoretische begrip
"naastenliefde" staan.
Het was de humanist Erasmus
die er bij de Calvinisten op aandrong hun dogmatisch fanatisme te laten
varen en de naastenliefde van het evangelie te praktiseren. Het was Erasmus
die de grondlegger was van de evenzo spreekwoordelijke Nederlandse tolerantie.
Het is steeds weer het cultureel Calvinisme dat meent deze tolerantie te
moeten inperken, omdat men vindt dat tolerantie gelijkstaat aan indifferentisme.
Deze strijd is sinds eeuwen de basis van de Nederlandse politieke verdeeldheid.
Overigens zijn er veel humanisten
die het evangelie aanhangen en veel christenen die zich door de humanistische
beginselen laten inspireren. Daarentegen zijn er veel autochtone Nederlanders
die geen christelijke achtergrond hebben en toch zijn grootgebracht met
de cultureel Calvinistische beginselen, wellicht zonder het te weten.
.
De doorsnee van jonge
prei
Nederlanders staan bekend
om hun regeldrang. Die spreekwoordelijke regeldrang komt voort uit ons
Calvinistisch verleden. De Calvinistische levenshouding typeert zich door
soberheid, zuinigheid, rechtlijnigheid en dogmatisme. In de Calvinistische
dogmatiek is de mens van nature slecht. Hij wordt als zondaar geboren en
alleen een goede (Calvinistische) opvoeding kan hem op het rechte pad brengen.
Uiteraard zijn daar regels voor nodig. Hoe meer regels, des te beter. Regels
worden zodoende gelijk gesteld met normen en waarden. Ik herinner mij nog
de bijbellessen op de lagere school, waar je hele teksten uit de bijbel
foutloos moest opdreunen. De functie daarvan was dat die "regels" je eeuwig
bij zouden blijven, want het is in de Calvinistische opvatting uiteraard
onmogelijk dat "gewone stervelingen" uit zichzelf ideeën ontwikkelen
over wat goed en kwaad is. Daar zijn regels voor nodig. En die regels worden
gemaakt door mensen die (heel bescheiden uiteraard) menen dat zij boven
de "gewone sterveling" staan.
Dat de Nederlanders zich
heel ver in hun ontoombare regeldrang laten gaan, blijkt uit de volgende
officiële regel, waar een aantal professionele regelgevers jarenlang
aan heeft gewerkt en een heel aardige boterham mee verdient: "Jonge prei
moet ten minste 8 mm doorsnee hebben en andere 10 mm minimum. Gemeten loodrecht
op de lengteas van het wit-groene gedeelte."
Nu zult u misschien zeggen:
ja, zulke regels moeten er ook zijn. Anderen zijn van mening dat dergelijke
regelgeving totaal onzinnig is, en zullen zelfs boos worden omdat die regelgeving
wel bestaat, terwijl zij daar niets van af weten, dus daar ook geen enkele
invloed op hebben gehad.
Wij mogen vaststellen dat
het in Nederland stikt van de regelgeving en dat wij van 99% van die regelgeving
doorgaans geen weet hebben. Alleen de mensen die rechtstreeks met de regelgeving
te maken hebben weten dat deze bestaat, en zijn het in veel gevallen met
die regelgeving niet eens. Toch zal niemand kunnen beweren dat de regels
niet democratisch tot stand zijn gekomen, want ze zijn immers in de Staatscourant
gepubliceerd. Alsof iedere Nederlander die elke ochtend op de mat krijgt...
De "jonge-prei" cultuur
vindt men ook terug in de Nederlandse bureaucratie, die zich helaas niet
beperkt tot de ambtenarij. Deze cultuur kost de samenleving een hoop geld,
want niet alleen moet de burger tijd en geld besteden om de bureaucratie
tot redelijkheid te bewegen, ook moet dezelfde burger (middels de prijs
van de producten van die bureaucratie) de mensen betalen die de regels
opstellen, de mensen die de regels uitvoeren, de mensen die erop toezien
dat de regels worden uitgevoerd, de mensen die de fouten van hun collega's
herstellen en de mensen die de klachten over hun collega's behandelen.
Een voorbeeld: u heeft een maand geleden de meterstanden voor het energiebedrijf
ingevuld en opgestuurd. U krijgt een brief waarin staat dat u de meterstanden
niet op tijd heeft opgegeven. U belt naar het automatische nummer dat in
de brief staat vermeld om uw meterstanden nog maar eens door te geven,
maar de dame van de computer vertelt u dat de meterstanden al zijn opgegeven.
Dat wist u al. U belt naar een niet-gecomputeriseerde dame, en ook die
vertelt u dat de meterstanden al zijn doorgegeven. Na een halve dag bellen,
een halve dag kostbare tijd van u en van uw energiebedrijf, blijkt dat
u de datum van opname niet heeft vermeld. Op uw vraag of dit noodzakelijk
is, luidt het antwoord: "Nee hoor."
.
Een tweeslachtige samenleving
De bovengeschetste culturele
tweedeling, die overigens puur theoretisch is en waarbij ik enige generalisatie
niet heb geschuwd, kenschetst zich door verschillende opvattingen ten aanzien
van machtsafstand (gelijkwaardigheid versus hiërarchie), verworven
status versus toegeschreven status, individualisme versus collectivisme,
internalisme versus externalisme, regels versus relaties (universalisme
versus particularisme), masculiniteit (assertiviteit) versus femininiteit
(dienstbaarheid), en met name de mate van onzekerheidsvermijding.
Een hoge mate van onzekerheidsvermijding
is per definitie een cultureel Calvinistisch verschijnsel. Hoe meer regels
er zijn, hoe meer de culturele Calvinist zich op zijn gemak voelt, want
als er geen regels zijn, kan hij die regels niet opvolgen, en als hij geen
regels kan opvolgen weet hij niet van zichzelf of hij het wel goed doet
en braaf is. Regels dragen dus in hoge mate bij tot onzekerheidsvermijding.
Soms echter worden de regels die in principe zijn bedoeld om zichzelf in
de hand te houden ("ons kent ons"), geheel conform de Calvinistische dogmatiek,
gebruikt om anderen de les te kunnen lezen. En soms aarzelt men niet om
die regels langs "democratische" weg op te leggen aan anderen, die de regels
vaak helemaal niet nodig hebben om te weten of ze goed of fout bezig zijn,
omdat zij ook zonder enige dogmatiek integere mensen kunnen zijn.
"De doorsnee van deze jonge
prei is 7,99 mm."
"Ja, en?"
"Nou, dat kan niet jongen!"
"Waarom niet?"
"Omdat 'ie volgens de regels
8 mm moet zijn."
"Belachelijke regels. Waarom
mag ik geen jonge prei van 7,99 mm verkopen?"
"Nou, dat snap je toch zelf
ook wel! Stel dat iedereen zomaar jonge prei van 7,99 mm gaat verkopen,
dan wordt het toch een gigantische puinhoop?"
"Nee, dat zie ik niet zo."
"Tja, de regels zijn nu
eenmaal de regels."
"Mag ik vragen wie die regels
heeft opgesteld?"
"Ik."
Mensen met een hoge mate
van onzekerheidsvermijding dragen een kostuum en een stropdas. Zij kopen
een nieuwe auto in plaats van een tweedehandse. Zij rijden 50 (het liefst
45) kilometer waar zij 50 mogen rijden. In een verlaten stad, zonder enig
verkeer, steken zij niet de straat over wanneer het voetgangerslicht op
rood staat. Zij zijn uitermate gezagsgetrouw. Alleen wanneer zij er absoluut,
maar dan ook absoluut zeker van zijn dat zij niet kunnen worden betrapt,
zullen zij de regels overschrijden. Eten en drinken zijn pure noodzaak.
Daar hoef je niet van te genieten, daar mag je zelfs niet van genieten.
Voor sex geldt hetzelfde. Voor (andere) hobby's ook?
Henk
Kuipers over het ruiterbewijs
Regels
zijn de doodsteek voor creativiteit en vrijheidsbeleving en dat was nou
net wat ik zocht te paard in de vrije natuur. Bovendien tasten regels de
zelfstandigheid en eigen verantwoordelijkheid van personen aan.Vrijwel
dagelijks heb ik vanuit mijn werk als architect te maken met ambtenaren
die door domweg letterlijk toepassen van regels veel moois, onvoorzien
vaak door de regelbedenker, naar de knoppen helpen. Vaak is het mogelijk
na veel uren van reden de onredelijkheid van de regel aan te tonen; het
kan nl. niet de bedoeling zijn dat iets slechter wordt als gevolg van de
regel, maar in principe is men maar moeizaam te bewegen tot enig flexibel
toepassen van regels, wat vaak meer recht doet aan die specifieke situatie.
Ambtenaren zijn per definitie niet creatief of flexibel.Het is een gegeven
dat plus minus 80% van de regeluitvoerders en/of bedenkers, ambtenaren
dus, kerkelijk zijn. Kerkelijken zijn gepreoccupeerd door het Calvinisme;
mensen zijn slecht, niet te vertrouwen en zondig. Dus moeten ze in het
gareel gehouden worden, boete doen en hun zonden belijden. Het is niet
vreemd dat een zo groot aantal kerkelijken terug te vinden is in functies
als ambtenaar, maar ook als bestuurslid van stichtingen en verenigingen;
men regelt en besluit; anders wordt het immers een chaos, mensen zijn onverantwoord.In
principe kun je er dus van uit gaan dat er bij de toetsing en toepassing
van regels weinig flexibiliteit en creativiteit te verwachten is. Je zult
dus wel heel goede regels moeten maken, rekening houdend met van alles
en nog wat, anders zal je meer last dan gemak van die regels hebben. En
dat is nu precies het probleem dat ik met een eventuele verplichtstelling
van het ruiterbewijs heb. Bedenkers, makers, zien voortdurend dingen over
het hoofd, houden slecht rekening met alternatieve rijmethoden, lopen achter
op ontwikkelingen en ga zo maar door... Een goed ruiterbewijs, recht doende
aan alles wat zich op ruitergebied voordoet is geen sinecure. Dus doe er
niet aan mee en boycot het ruiterbewijs!!!
Mensen
zijn goed! En van goede wil! En het zou mooi zijn als alle energie die
nu wordt gestoken in het op basis van wantrouwen regelen van allerlei zaken,
aangewendt wordt om mensen voor te lichten te stimuleren en op te leiden
tot mensen die hun eigen verantwoording weer leren en durven nemen.Geen
gelukkiger mens dan een vrij mens, bewust van zijn verantwoordelijkheid
ten opzichte van anderen.
De regeldrang in de kynologie
De kynologie is bij uitstek
een gebied waarin het cultureel Calvinisme zich op zijn gemak voelt. Er
is een "Raad van Beheer", een "Tuchtcollege voor de Kynologie", een eigen
"wetboek" en wanneer men het over de stambomen en de regels van de Raad
van Beheer heeft worden voortdurend - en vaak tegen beter weten in - de
begrippen "officieel" en "instantie" van stal gehaald. Ten onrechte, want
de Raad van Beheer wordt niet als zodanig door de overheid geaccepteerd
en is dus geen "instantie", laat staan dat de papiertjes of uitspraken
van die Raad "officieel" zijn. De Raad is niets meer en niets minder dan
onze plaatselijke geitenfokkersvereniging, hoezeer de cultureel Calvinisten
de "belangrijkheid" van deze vereniging ook trachten op te blazen.
Er is nog een andere reden
waarom het cultureel Calvinisme in de kynologie hoogtij viert. Een hond
opvoeden vergt enig inzicht in de psychologie van de hond, die voornamelijk
is gebaseerd op de operante conditionering. Deze manier van beïnvloeding
wordt ook gebruikt voor zwakzinnigen en kinderen tot de leeftijd van een
jaar of vier. Veel kynologen komen in hun "mensenkennis" en beïnvloeding
van mensen echter niet veel verder dan deze operante conditionering, hetgeen
inhoudt dat men zich onderdanig gedraagt ten opzichte van hogeren in de
rangorde van de roedel, en dominant ten opzichte van lageren in de rangorde.
Wanneer ik roedelleider ben is er niets aan de hand, maar zodra ik zwak,
ziek en misselijk ben (en dit kenbaar maak), kan ik er zeker van zijn dat
de cultureel Calvinisten die lager in rangorde zijn daar onmiddellijk gebruik
(misbruik?) van maken.
Ook in deze cultuur speelt
de onzekerheidsvermijding een grote rol. Je blaast jezelf op of je houdt
jezelf gedeisd, daartussen bevindt zich geen middenweg. Iemand die het
waagt de "grote roedelleider" te bekritiseren, wordt vergeleken met een
laf bastaardhondje dat vanuit zijn eigen veilige omgeving, zonder dat die
"grote roedelleider" bij hem kan komen, die roedelleider toeblaft.
Het simplisme van de operante
conditionering en de al even simplistische dogma's van het Calvinisme ontmoeten
elkaar derhalve in de kynologie. Een gouden koppel.
Door de toenemende individualisering
wordt in Nederland de internalisering van regels steeds minder stringent.
De mate van onzekerheidsvermijding daalt dus in het algemeen. Dit gaat
helaas niet op voor de kynologie, althans niet voor dat deel van de kynologie
dat het beleid van de Raad van Beheer steunt. Binnen dat segment van de
kynologie verzint men er steeds meer regels bij en neemt de onzekerheidsvermijding
juist toe. En zodra de onzekerheidsvermijding toeneemt, neemt de tolerantie
af. Dit blijkt onder meer uit het feit dat tegenstanders van de regelgeving
- vaak ten onrechte - "economisch gewin" (winst, vies, bah) wordt verweten,
dat de regels geen uitwijkmogelijkheden kennen (zelfs niet het "nee, tenzij"
principe is toegepast) en dat men niet in staat is om te zeggen:
"Wij hebben deze regels voor onszelf nu eenmaal nodig om er zeker te zijn
dat wij het goed doen, maar wij vinden het prima dat mensen die deze onzekerheidsvermijding
niet nodig hebben de regels naast zich neerleggen en hun eigen regels hanteren."
Het "jonge-prei principe" en het cultureel Calvinistisch vermoeden dat
het "een grote puinhoop" zal worden (de mens is immers als zondaar geboren)
spelen een grote rol bij de totstandkoming van deze intolerantie. De echte
culturele Calvinist verwijst derhalve ook graag naar de wijze waarop de
kynologie in Zweden en Duitsland (cultureel Calvinistische landen bij uitstek)
is geregeld, en liever niet naar landen waar de onzekerheidsvermijding
laag is, zoals in Amerika en Canada. De cultureel Calvinist meet de waarde
van een kynologische organisatie door de hoeveelheid regels, en vooral
de rigiditeit van die regels. Hoe meer en hoe strenger de regels, hoe beter
het is "geregeld". En van die strenge regels in het buitenland wordt volgaarne
gebruik gemaakt om duidelijk te maken dat Nederland ook die kant op moet.
Het is dus niet zo vreemd
dat steeds meer mensen zich aan die cultureel Calvinistische regeldrang
trachten te onttrekken en op zoek gaan naar alternatieven, waar de onzekerheidsvermijding
minder belangrijk is, waar men nog vertrouwen in elkaar heeft, waar men
nog op een leuke manier met zijn hobby bezig wil zijn.
En met de rest van de kynologie
gaat het net als met de kerk: de "leiders" gaan met pensioen, er komen
geen nieuwe bij, de structuur brokkelt af, het onroerend goed wordt verkocht
en de dikke pakken regels belanden bij de Slegte.
.
De voorgestelde dekbeperking
van de Nederlandse Labradorvereniging (NLV) en de neiging daartoe van de
Labrador Kring Nederland (LKN)
Wanneer de storm in de kynologie
is geluwd en de mensen van de barricaden zijn verdwenen, onderneemt het
kynologisch establishment zo nu en dan pogingen om oude en reeds lang overleden
konijnen uit de hoed te toveren. Dat is thans ook het geval bij de zogenaamde
"dekbeperking van reuen".
Geen enkele serieuze hobbymatige
labradorfokker zal betwisten dat goede gezondheidseisen van belang zijn
voor het fokken met labrador retrievers. Ook wordt er niet getwijfeld aan
het belang van het welzijn van de labradors waarmee wordt gefokt.
Het wordt echter een heel
ander verhaal wanneer de regeldrang zover gaat dat men de fokkers hun eigen
verantwoordelijkheid wil afnemen, wanneer men de fokkers beschouwt als
mensen die ondanks hun jarenlange ervaring te weinig inzicht hebben in
de Nederlandse labradorpopulatie, wanneer besturen van labradorverenigingen,
zelf zonder enige kennis en ervaring op het gebied van de fokkerij met
labradors, koste wat het kost hun gelijk proberen te krijgen met behulp
van "deskundige" en "wetenschappelijke" inzichten van mensen als Ir. Ed
Gubbels, die zich jarenlang heeft beziggehouden met uitermate controversiële
experimenten met beagles. Zie mijn artikel De
Harlan Connectie.
.
De Nederlandse Labradorvereniging
(NLV) heeft inmiddels begrepen dat het in de discussie over dekbeperking
van de reu niet verstandig is om de controversiële Ed Gubbels en zijn
bedrijfjes nog langer ten tonele te voeren. Men heeft nu een andere wetenschapper
bereid gevonden die taak op zich te nemen: Jack Windig, bioloog en onderzoeker
genetica, die zich heeft gespecialiseerd in het verschijnsel inteelt bij
koeien.
Aangezien in Nederland labrador
retrievers niet worden gefokt voor de productie van fokdieren en vlees,
althans niet door de serieuze hobbyfokkers die zijn aangesloten bij de
Nederlandse labradorverenigingen, is het toekomstige of voorgestelde beleid
van die verenigingen niet gebaat bij de inzichten van deze bioloog. Lees
mijn artikel De
evolutie van de kynologie (2001).
De NLV ziet zich dus geconfronteerd
met een "probleem". Enerzijds is men, om welke politieke en persoonlijke
redenen dan ook en gemotiveerd door de regeldrang die deze vereniging eigen
is sinds 1964, vastberaden om die dekbeperking er door te drukken. Anderzijds
bestaat daarvoor geen enkele aanleiding, want de Nederlandse labradorpopulatie
is groot genoeg en met meer dan 99% van de nakomelingen van populaire dekreuen
wordt niet gefokt. Deze pups worden verkocht als huisdier.
Veel mensen die niet op
de hoogte zijn van fokmethoden, waaronder het bestuur van de NLV, zien
inteelt als een uitermate verfoeilijk verschijnsel. Dit komt vooral omdat
men inteelt bij dieren verwart (en associeert) met incest bij mensen; een
antropomorfisme dat zijn weerga niet kent. Dus komt het bestuur van de
NLV op een fantastisch idee: laten we een lezing organiseren over inteelt
en dekbeperking! Door deze twee onderwerpen, die in de praktijk van de
Nederlandse labradorfokkerij zoals die binnen de labradorverenigingen plaatsvindt
geen enkel raakvlak hebben, aan elkaar te koppelen, met elkaar te mixen,
zal de antropomorfistische afkeer van inteelt zonder enige twijfel zijn
weerslag hebben op het oordeel van de aanwezigen (of de lezers van het
artikel dat vervolgens in de LabradorPost zal verschijnen) met betrekking
tot het onderwerp dekbeperking. Voorwaar, ik voorspel u dat dit zal gebeuren.
.
Zoals gezegd, inteelt komt
bij de Nederlandse labradors die worden gefokt door de leden van de Nederlandse
labradorverenigingen niet voor. Een lezing over inteelt bij Nederlandse
labradors, zoals die op 29 oktober 2011 zal plaatsvinden in het fokkerijberaad
van de NLV door veedeskundige Jack Windig, heeft dan ook geen enkel ander
nut dan de aanwezigen te misleiden en het pad naar een dekbeperking te
plaveien. Zie ook de tekst van de uitnodiging van de NLV: "met als onderwerp
’Inteelt’ en daarmee samenhangend ‘de beperking van het aantal
dekkingen door een reu’."
Die "samenhang" is er niet
en zal er ook niet komen. Er kan immers niet worden aangetoond dat de leden
van de verenigingen zich schuldig maken aan inteelt, noch is er sprake
van enige behoefte bij die leden om in de toekomst inteelt bij hun honden
te laten plaatsvinden.
Wederom zien wij hier een
manipulatieve actie van de NLV die getuigt van een enorme onderschatting
en zelfs een belediging van de intelligentie van haar leden.
.
De gevolgen van een dekbeperking
bij reuen
Hoewel het bestuur van de
NLV, danwel de mensen die daarachter aan de touwtjes trekken, nog altijd
van mening zijn dat het fokken van labradors slechts mag worden gedaan
door mensen die over meer dan genoeg geld beschikken om financieel compleet
onafhankelijk te zijn van deze hobby, leert de praktijk ons dat dit elitaire
standpunt al meer dan 35 jaar niet meer kan worden gehandhaafd.
We kennen een verschijnsel
dat door mij "de economie van de hobby" wordt genoemd. Het principe van
deze economie is dat de hobbyist iets produceert en dat de hij met de opbrengst
van deze productie gedeeltelijk zijn hobby bekostigt. In relatie tot de
hobbyfokkerij van labradors in Nederland kunnen wij gerust stellen dat
de mensen die zich op deze manier met hun hobby bezighouden ervoor verantwoordelijk
zijn dat het niveau en de kwaliteit van de Nederlandse labradors zo hoog
is.
De economie van de hobby
wijkt in principe niet af van de cirkel van andere economieën. Je
investeert, je laat je product zien, je produceert, en met de opbrengst
investeer je weer.
De Nederlandse kynologie
is in de loop der jaren uitgegroeid tot een "big business". Het bezoeken
van shows kost veel geld, net als de stamboomcertificaten, het chippen
en de gezondheidsonderzoeken. Deze kosten worden weerspiegeld in de prijs
van een pup. De economie van de hobby is derhalve een volkomen geaccepteerd
verschijnsel geworden.
.
Wil je je als serieuze hobbyfokker
onderscheiden van de middenmoot, wil je de kwaliteit van de labradors in
Nederland verbeteren, wil je de genenpool van de labradorpopulatie in Nederland
verbreden, dan dien je over superieur fokmateriaal te beschikken, en dien
je dat superieur fokmateriaal nationaal en internationaal te showen. En
daar hangt een kostenplaatje aan.
Wij willen graag dat mensen
uitermate zorgvuldig zijn bij de aanschaf van een rashond. Daar wijzen
wij telkens weer op en het gevolg daarvan is dat potientiële kopers
van een labradorpup steeds selectiever worden bij de aanschaf van zo'n
pup. Ondanks het feit dat 99% van de pups uit de fokkerij verdwijnen omdat
zij slechts als huishond worden gehouden, willen mensen in toenemende mate
een pup van kampioensafstamming. We hebben hier te maken met het economische
verschijnsel "vraag en aanbod"; niet onbelangrijk voor de economie van
de hobby.
.
Nu is het nog zo dat het
voor een topfokker rendabel is om een topreu uit het buitenland te halen.
De topreu dekt een aantal teven, waarvoor de dekreu-eigenaar een bepaald
bedrag krijgt, de teven krijgen pups, de pups worden verkocht (met 99%
van de pups wordt vervolgens niet gefokt), en iedereen is er gelukkig mee.
Maar met een dekbeperking
is de aanschaf van superieur fokmateriaal niet langer rendabel, tenzij
de prijs van een dekking (en daarmee de prijs van een pup) gigantisch wordt
verhoogd. En daarmee komen we bij het economische begrip "risico". Een
drastische verhoging van de prijs van een dekking en de prijs van een superieure
pup verstoort de balans tussen vraag en aanbod. De vraag zal verminderen
of verdwijnen, en daarmee - op lange of kortere termijn - het aanbod. We
hoeven er geen twijfel over te laten bestaan dat dit verschijnsel tot gevolg
heeft dat de kwaliteit van de Nederlandse labradorpups die worden aangeboden
door de serieuze hobbyfokkers die lid zijn van de labradorverenigingen
aanzienlijk zal verminderen. Bovendien zal een toenemend aantal serieuze
hobbyfokkers, die zoveel voor de Nederlandse labradorpopulatie hebben betekend,
de lier aan de wilgen hangen ten gevolge van de bovenmatige inmenging en
de bevoogding van de labradorverenigingen in hun hobby. Een ander gevolg
zal zijn dat bepaalde fokkers zich aan het zicht van de labradorverenigingen
zullen onttrekken om buiten de invloedsfeer van deze verenigingen (en wellicht
binnen de invloedsfeer van de Raad van Beheer) door te gaan met fokken.
Om een lang verhaal kort
te maken: de regeldrang van de labradorverenigingen zal op korte en langere
termijn NIET tot gevolg hebben dat genenpool van de Nederlandse labradorpopulatie
wordt verbreed (er komt immers geen superieur materiaal uit binnen- en
buitenland meer binnen), en deze regeldrang zal WEL tot gevolg hebben dat
de kwaliteit van de Nederlandse labradorpopulatie er sterk op achteruit
gaat. Bovendien ontstaat er een extra probleem voor de rasverenigingen,
want hoe lang kunnen zij in dat geval nog waar maken dat de pups van hun
leden kwalitatief beter zijn dan de pups van de serieuze hobbyfokker die
zich buiten de vereniging om aan alle regels houdt, behalve aan de regel
van de dekbeperking, dus nog steeds in staat is om superieur fokmateriaal
aan te schaffen en superieur nageslacht te produceren, in tegenstelling
tot zijn collega's in de bevoogdende rasvereniging?
.
Jaap van der Wijk
Rockanje, 20 oktober 2011
|