
In principe heb ik geen bezwaar tegen het idee dat een Kennel Club fokregels opstelt, maar ik vind wel dat zulke regels in samenwerking met de rasverenigingen tot stand moeten komen. Ik ben van mening dat het momenteel in de meeste landen te gemakkelijk is om honden te fokken en dat fokkers alle vrijheid hebben om te doen wat zij willen, zonder enige controle. Men kan van mening zijn dat controle een inbreuk is op de persoonlijke vrijheid, maar vrijheid kan niet los worden gezien van verantwoordelijkheid. Ik ben er geen voorstander van dat er met honden wordt gefokt die niet zijn geregistreerd door het leidinggevend orgaan (in dit geval de Raad van Beheer op Kynologisch Gebied in Nederland) en er is aangetoond dat niet-geregistreerde honden meer kans hebben om problemen met betrekking tot de gezondheid en het welzijn te krijgen dan geregistreerde honden. Daarbij moet ik opmerken dat het opleggen van slecht doordachte en buitengewoon restrictieve regels, die deskundige fokkers belemmeren in de uitoefening van hun vak of hobby, slechter is dan helemaal geen regels.
Eén van de gedachten achter de regels zou het beperken of verminderen van erfelijke aandoeningen kunnen zijn. Dat is een lofwaardig streven, maar het kan niet in isolement plaatsvinden. De hond heeft zo'n 30.000 tot 100.000 genen en daarvan zijn er ongeveer 400 erfelijke (of vermoedelijk erfelijke) afwijkingen, terwijl dit aantal toeneemt naarmate meer onderzoek wordt verricht. Het zal duidelijk zijn dat wanneer wij accepteren dat alle honden drager zijn van ten minste één deletair (schadelijk of dodelijk) gen, dan kunnen wij geen regels opleggen die het fokken beperken tot honden die vrij van elke aandoening zijn, omdat zulke honden niet bestaan. We kunnen echter wel een lijst met ernstige aandoeningen opstellen, die kan worden opgenomen in de fokregels voor elk ras.
In sommige gevallen kunnen de aandoeningen worden vastgesteld door DNA-onderzoeken, zodat al vroegtijdig door middel van een eenvoudige bloedtest kan worden aangetoond dat een hond normaal is (NN), dan wel drager (Nn) of lijder (nn). Wanneer de hond lijder is, betekent dit niet altijd dat de hond op het moment van de test aan de aandoening lijdt, maar wel dat de aandoening zich in de loop der tijd bij de hond zal ontwikkelen. Wat de DNA-onderzoeken betreft: men kan momenteel op ruim twintig aandoeningen testen en de onderzoeken kunnen worden verricht bij rassen bij wie de aandoeningen voorkomen, rekening houdend met het feit dat DNA-onderzoek duur is, steeds duurder wordt en soms slechts een marker-test is en geen echt DNA-onderzoek.
Het zal duidelijk zijn dat verschijnselen als PRA, die tot totale blindheid leidt, aandoeningen zijn die, voor zover daartoe de mogelijkheid bestaat, in de fokregels moeten worden opgenomen, om zodoende te verhinderen dat nn dieren voor de fok worden gebruikt. Nn dieren kunnen ook worden beperkt, maar dat zal aanvankelijk afhangen van de verspreidingsgraad van het probleem. Indien de aandoening een hoge verspreidingsgraad heeft dan zou men NN x Nn kruisingen nog enige tijd moeten toestaan. Deze kruisingen zullen geen stijgingen vertonen ten aanzien van de getroffen populatie en de gehele populatie kan een DNA-onderzoek ondergaan om erachter te komen welke honden zijn aangetast. Na verloop van tijd kunnen Nn dieren eveneens aan het fokprogramma worden onttrokken.
Fokkers dienen zich ervan bewust te zijn dat wanneer zij grote aantallen aandoeningen opnemen in hun beperkingen ten aanzien van het fokken, zij dan zeer weinig honden zullen overhouden die de toets doorstaan, met als gevolg dat de inteelt zal toenemen en de kwaliteit daalt. Met andere woorden: het middel mag niet erger zijn dan de kwaal. Rasverenigingen dienen zoveel mogelijk informatie over de verspreidingsgraad van de aandoeningen te vergaderen en dienovereenkomstig handelen. Esthetische afwijkingen, of minder ernstige afwijkingen, dienen niet op hun lijst van te onderzoeken aandoeningen te worden geplaatst.
Vachtafwijkingen (bijvoorbeeld lang haar bij kortharige rassen) of kleurafwijkingen zijn esthetisch van aard en zouden niet op de onderzoekslijsten moeten voorkomen omdat zij biologisch niet van belang zijn. Daarnaast kunnen afwijkingen die al vroegtijdig kunnen worden waargenomen (vóór de leeftijd van 8 weken) snel worden uitgeselecteerd, zonder al te veel geld voor onderzoeken uit te geven. Dergelijke aandoeningen betekenen een economisch verlies voor de fokker, niet voor de koper. Veel dierenartsen maken zich druk om dingen als een navelbreukje, terwijl de gevolgen daarvan voor de de hond praktisch nihil zijn. Veel dierenartsen verwijderen ook extra tenen bij sommige rassen (ik bedoel niet de achtertenen), terwijl die gerust kunnen blijven zitten, zelfs wanneer zij de esthetische verschijning van de hond geen goed doen.
Sommige aandoeningen zijn veroorzaakt door selectie. De oude standaard van de Bulldog vereiste bijvoorbeeld een zo groot mogelijk hoofd. Daarmee vraag je echter om keizersneden en dergelijke extreme eisen moeten uit de rasstandaarden worden verwijderd, terwijl keurmeesters dergelijke honden niet meer zouden moeten plaatsen.
Sommige aandoeningen zijn wijd verspreid in bepaalde rassen, maar zijn niet het gevolg van selectie. Heupdysplasie( HD) komt bijvoorbeeld in veel rassen voor. HD staat doorgaans niet in verband met enig uiterlijk kenmerk van de hond. Uit Zuid-Afrikaans onderzoek is gebleken dat de enige kenmerken van de Duitse Herder die met HD in verband konden worden gebracht een aflopende achterhand en een lange rug waren. Geen enkele zichzelf respecterende fokker van Duitse Herders zou in welk geval dan ook voor deze aandoening kiezen. HD is geen aandoening die is veroorzaakt door selectie op een specifiek uiterlijk kenmerk.
Rasverenigingen zouden erop moeten staan dat de populatie van hun ras wordt onderzocht op bepaalde polygenetische aandoeningen als HD, elleboogdysplasie, die in dat ras voorkomen. De rasverenigingen zouden maximale waarden moeten vaststellen om met een hond te kunnen fokken, en honden die deze normen overschrijden mogen niet voor de fok worden gebruikt. De normen kunnen per ras verschillen en kunnen strikter worden toegepast bij reuen (die vaker worden gebruikt) dan bij teven van dat ras. Dergelijke normen dienen niet van toepassing te zijn op rassen waarbij deze kenmerken niet of nauwelijks voorkomen. Dus laat je Chihuahuas niet onderzoeken op HD en zijn de normen voor bijvoorbeeld Clumber Spaniels minder streng dan die voor Duitse Herders, omdat het ene ras slechtere heupen heeft dan het andere.
Het onderzoeken van bijvoorbeeld heupen en ellebogen zou door registratiebeperkingen kunnen worden gestimuleerd, en de regels kunnen (met goedkeuring van de rasvereniging) worden verscherpt wanneer in de loop der jaren algehele verbetering optreedt. Er dient echter een of andere vorm van nakomelingenonderzoek plaats te vinden, zodat de productie van dekreuen en fokteven kan worden gecontroleerd. Sommige honden met acceptabele heupen produceren niet goed en dat is duidelijk waar te nemen bij het nageslacht. Dergelijke slechte verervers dienen in het licht van het nakomelingenonderzoek uit de fok te worden teruggetrokken. Dat is belangrijker dan het beperken van het aantal dekkingen van een reu. Het zal duidelijk zijn dat sommige onderzoeken (zoals heupen en ellebogen) eenmalig hoeven plaats te vinden, terwijl andere onderzoeken (zoals van de ogen) elk jaar moeten plaatsvinden. Sommige aandoeningen (zoals idiopathische epilepsie) openbaren zich vaak pas in een later stadium, doorgaans op leeftijd van 15 tot 36 maanden, en het moge duidelijk zijn dat een fokdier met idiopathische epilepsie uit de fokkerij moet worden teruggetrokken en dat men het nageslacht van deze hond, dat is verwekt voordat de aandoening zich openbaarde, nauwlettend moet blijven volgen.
Artikel 5 van het centraal fokbeleid lijkt in hoge mate restrictief en gaat voorbij aan het feit dat de hond in het algemeen goed wordt gevoed en verzorgd, en dat de meeste honden zeer goed in staat zijn om grote nesten groot te brengen. Vele jaren geleden mocht in sommige landen een Duitse Herder slechts zes pups grootbrengen en de rest moest worden verwijderd of bij een pleegmoeder worden ondergebracht. Dit had te maken met de voeding van de jaren twintig. Tegenwoordig kan een gezonde hond rustig een nest van twaalf of meer pups grootbrengen, dus hoeven wij wat dat betreft niet terug te gaan in de tijd. Ook hanteren de meeste Kennel Clubs vreemde regels ten aanzien van kunstmatige inseminatie (KI).Terwijl er bij KI in eerste instantie op moet worden toegezien dat het sperma werkelijk van de reu in kwestie afkomstig is, en wij zeker niet zouden moeten toestaan dat KI wordt gebruikt voor honden die niet in staat zijn om op de natuurlijke manier te dekken, bijvoorbeeld door een aandoening als HD. Van een hond die krom loopt van de HD mag je uiteraard geen sperma gebruiken, maar dat zou niet van toepassing zijn op een prima hond die bijvoorbeeld een been heeft verloren door een auto-ongeluk. Ook dienen er geen tijdslimieten te worden gesteld aan het gebruiken van sperma. KI leidt tot uitwisseling tussen landen en komt de fokkerij juist ten goede.
De beperking van vijf nesten, zoals bij de Labradors, is niet echt bezwaarlijk, want de meeste fokkers die geen broodfokkers zijn laten hun teven zelden meer dan vijf nesten krijgen, doorgaans ongeveer twee of drie nesten per leven. Dit betekent echter dat teven die niet meer mogen fokken maar een beetje "rondhangen". Zou dit de onscrupuleuze fokkers niet aanmoedigen om hun oudere teven te laten inslapen en hen door productievere honden te vervangen? De beperkingen zijn toegepast op de dieren, niet op de bezitters/fokkers. Er kan bijvoorbeeld meer schade worden aangericht door een broodfokker die zich nest na nest van zijn overtollige honden verlost, dan door een teef zes nesten te laten krijgen.
Reuen worden bij de Labradors beperkt tot het voortbrengen van 15 nesten per jaar en 30 in hun hele leven. Dit betekent dat de hond op leeftijd van 44 maanden zijn quotum kan hebben bereikt. Wordt hij dan geloosd om plaats te maken voor productievere honden, of zullen de fokkers hun gepensioneerde jongen gewoon thuis houden? Ik denk dat dit voor velen een motief zal zijn om zulke honden te laten inslapen, omdat zij geen nuttig fokdoel meer dienen en de fokker slechts op kosten jagen. Natuurlijk houden de meeste fokkers van hun honden en zij houden de gepensioneerden zo lang mogelijk thuis, maar de regels zijn restrictief en niemand is er bij gebaat.
Dit is duidelijk een poging om inteelt te beperken, maar men houdt geen rekening met een polygenetisch fokbeleid. Men fokt nu juist om het beste materiaal te selecteren, hetgeen bij veel rassen neerkomt op de beste 10% van de honden. Wanneer wij deze honden beperken, dan hebben wij meer honden nodig en die zullen per definitie slechter van kwaliteit zijn.
In Groot-Brittanië worden jaarlijks ongeveer 25.000 Labradors geregistreerd, hetgeen neerkomt op 4166 nesten, uitgaande van een nestgrootte van zes pups. Wanneer wij de dekreuen beperken tot het produceren van 15 nesten per jaar, dan maken wij in dat jaar gebruik van 278 dekreuen en 4166 teven.
Uitgaande van een generatie-interval van vijf jaar wordt de effectieve omvang van de populatie (Ne):
Dit is een grote effectieve populatie en bij een gemiddeld fokprogramma zou de factor inteelt per jaar een waarde hebben van:
Dit is zeer minimale inteelt en dus zou men het aantal dekkingen per dekreu in dit ras behoorlijk kunnen vergroten zonder bang te hoeven zijn voor te veel inteelt. Uiteraard bestaat er niet zoiets als een "gemiddeld fokprogramma", maar het niveau van inteelt blijft desondanks minimaal. Ik ben een voorstander van Padgett's (1998) standpunten ten aanzien van "matador reuen", en alleen al bij de Labradors zijn er veel reuen die veelvuldig zijn ingezet voor de fokkerij en die het ras meer goed hebben gedaan dan kwaad. De ontwerpers van deze beperking realiseren zich niet dat er veel Labradorpopulaties in de wereld zijn, en hoewel zij dezelfde oorsprong hebben zijn zij in de loop der jaren op verschillende manieren gefokt. Mocht Nederland in problemen geraken, dan kan men fokmateriaal uit andere landen halen. Maar dan moet KI wel zijn toegestaan en worden gestimuleerd.
Het klopt dat er problemen zijn met numeriek kleinere rassen, maar het beperken van het aantal dekkingen tot bijvoorbeeld drie bij Norwich Terriërs is kinderachtig. In Groot-Brittanië is de Berner Senner een betrekkelijk klein ras met jaarlijks zo'n 800 registraties. De meest invloedrijke dekreu uit de begindagen van het ras in Groot-Brittanië produceerde slechts tien nesten voordat hij overleed ten gevolge van een verkeersongeval. Zeer weinig dekreuen hebben het aantal van 30 nesten overschreden, dus de beperkingen werden door de fokkers zelf bepaald en niet door de rasverenigingen of Kennel Club. Oordeelkundige import uit Europa en één uit de Verenigde Staten heeft plaatsgevonden. Niet elke importhond was even waardevol, maar de fokkers waren vrij om hun eigen kop te volgen. HD-onderzoek is niet verplicht, maar 30-35% van ALLE Berner Senners in Groot-Brittanië zijn onderzocht en slechts weinig honden waarmee wordt gefokt zijn niet onderzocht. Er zijn geen beperkingen verbonden aan de uitslagen, maar de meeste dekreuhouders bepalen hun eigen grenzen. Ik zou een grens verwelkomen, maar daar hebben we het al eerder over gehad.
De restrictie van twee keizersneden per teef kan zinloos zijn, omdat er wordt uitgegaan van een niet aangetoonde genetische afwijking. Een keizersnede kan om diverse redenen nodig zijn en dit is een algemene maatregel. Er valt echter mee te leven.
Beperkingen ten aanzien van de voortplanting tussen ouders en nageslacht, en (half)broers en (half)zusters zijn vergelijkbaar met het gebruik van een moker om een noot te kraken. Volgens mij komen bij de meeste rassen dergelijke kruisingen zo weinig voor dat het een zeldzaamheid is. Heeft de Nederlandse Raad van Beheer uitgezocht hoe vaak dit voorkomt, en zo nee, waarom niet? Ik heb met succes (half)broers en (half)zusters gekruist en toch realiseer ik mij dat weinig mensen dit zullen doen. Door het onmogelijk te maken zijn de gevolgen op de effectieve omvang van de populatie en het inteeltcoëfficënt minimaal of nihil, maar de gevolgen van het beperken van een ervaren en intelligente fokker zijn enorm.
Enkele jaren geleden maakte de beroemdste Boxerkennel van Groot-Brittanië met veel succes gebruik van inteelt, maar met regelgeving zou dat onmogelijk zijn geweest en zouden veel prima Boxers niet hebben bestaan.
Ook wil men driemaal dezelfde combinatie of meer gaan verbieden. Waarom? Ik begrijp best dat het zo kan zijn dat je met het herhalen van kruisingen niets meer over je teef te weten komt en dat het dus beter zou zijn om verschillende dekreuen te proberen, maar dat verhaal gaat niet altijd op. Wij hebben driemaal dezelfde combinatie gebruikt omdat mijn vrouw ervan overtuigd was dat zij de hond kon fokken die zij voor ogen had. Dat gebeurde inderdaad bij de derde keer en hij werd de basis en grondlegger van onze kennel. Hij heeft met minimaal gebruik (circa tachtig nakomelingen) drie kampioenen voortgebracht. Uw regels zouden dat hebben verhinderd.
Ik heb mij slechts op één artikel (art. 5 CFB, vert.) gericht, maar ik ben van mening dat er slecht over is nagedacht, ontworpen door mensen die blijkbaar een minimaal inzicht hebben in de populatiegenetica, een buitensporige afkeer tegen inteelt hebben en erop uit zijn om de fokkers onnodig te beperken. Een vergelijkbare conceptregelgeving toegepast op vee zou geen enkele kans van slagen hebben.
Het is noodzakelijk om ten aanzien van de situatie in elk ras tot een zorgvuldige overweging te komen, en ik vermoed dat men, mocht dat überhaupt al zijn gebeurd, bij de meeste rassen geen berekening op basis van feitelijke gegevens over inteelt heeft gemaakt. Inteelt krijgt van alles de schuld, maar de meeste rassen kennen een actueel inteeltniveau van ongeveer 3 à 4%. Het is tragisch dat deze regels zullen worden doorgestuurd naar de FCI en het zal niet lang duren voordat de EU zal proberen ze aan alle Europese fokkers op te leggen. De gemiddelde huisdierbezitter is geïnteresseerd in het kopen van een specifiek ras en heeft minimale belangstelling voor een stamboom van de Kennel Club. De regels die worden voorgesteld kunnen ertoe leiden dat fokkers zich aan de controle van de Nederlandse Raad van Beheer gaan onttrekken en ongecontroleerd gaan fokken, terwijl betere regelgeving en minder beperkende maatregelen zouden hebben gewerkt. Er is behoefte aan langere en discussies met meer deskundigheid dan nu het geval is, zowel op het niveau van de Nederlandse Raad van Beheer als op het niveau van de rasverenigingen.
Het selecteren van rassen dient niet lichtvaardig plaats te vinden. Ik begrijp dat men zich zorgen maakt om bijvoorbeeld Pittbull Terriërs, maar dit is een probleem dat is geschapen door de mens, die dit ras heeft misbruikt in het belang van de hondengevechten. Strengere wetgeving tegen hondengevechten en strengere straffen voor de overtreders in plaats van halfzachte maatregelen hadden de hondengevechten kunnen beperken en dan zou dit ras zijn gespaard. Hoe dan ook, men moet de regels voor Pittbull Terriërs niet tot vervelens toe gaan betrekken op andere rassen.
Als een in Engeland wonende fokker en geneticus zal ik mij verzetten tegen de algemene toepassing van zulke regels in Groot-Brittanië, hoewel het zou toejuichen wanneer er verstandige regelgeving zou worden uitgedacht en toegepast. Wanneer de Nederlandse Raad van Beheer probeert de regels elders van toepassing te laten zijn, dan dienen deze regels eerst uitgebreider met de rasverenigingen te worden besproken.
c m. b. willis 2002
Vertaald door Jaap van der
Wijk.
Het originele Engelstalige
artikel van dr. Willis vindt u hier:
http://www.nvfr.nl/DUTCHBREEDINGRULES.html
N.B. In het oorspronkelijke document stonden enkele alinea's over de
regels t.a.v. de Labradors. Deze bleken te berusten op foutieve gegevens,
zodat deze alinea's voorlopig met instemming van Dr. Willis zijn verwijderd.