|
Book now direct with owner! |



GEBRUIKSAANWIJZING VAN DE HOND
Alvorens de hond
bij jullie komt
Jullie hebben besloten
een Labradorpup. Doorgaans is dit besluit al genomen als de pup nog maar
pas geboren is en nog alle moederzorg nodig heeft. Voordat de pup bij de
moederhond weg mag, moet de pup minstens 7 weken oud zijn en moet de nestcontrole
van de Raad voor Beheer op Kynologisch Gebied, waarbij de pups een identificatiechip
ingeplant krijgen, hebben plaatsgevonden. Er liggen dus een ruim aantal
weken voor de boeg. Wij vinden het uitermate zinvol wanneer de nieuwe kopers
met enige regelmaat langs komen en contact hebben met hun nieuwe aanwinst.
Daardoor verloopt de overgang van de kennel naar de nieuwe woonomgeving
een stuk gemakkelijker en hoeft de pup niet aan jullie te wennen. Ook is
het verstandig de pup al vroegtijdig aan zijn naam te laten wennen, dus
kies een naam, dan gebruiken wij die alvast in de omgang met de pup.
Biologie
Alle leden van de
familie van de hond zijn, met uitzondering van de vos, zeer sociaal. De
meeste hondachtigen leven samen in roedels, om te jagen of gewoon om gezelschap
te hebben. Alle hondachtigen vertonen een goed ontwikkeld sociaal gedrag.
Er is sprake van samenleving in groepsverband, een sociale hiëarchie
en een roedelleider. Bovendien zijn de honden loyaal met de roedel en al
zijn leden. Ze beschermen de jonge pups, en als de moeder van de pups even
afwezig is, is er altijd wel een andere hond die de zorg voor hen op zich
neemt.
Alle hondachtigen bakenen
hun territorium af met urine, vermengd met afscheiding uit het geslachtsorgaan.
Bij reuen gaat dit gedrag doorgaans gepaard met het optillen van een
achterpoot, waarbij
de urine op neushoogte tegen een groot object als een boom, een rots of
een struik wordt gespoten, zodat andere honden dit op afstand kunnen ruiken.
Tijdens een uitlaatbeurt worden meerdere `boodschappen' verspreid.
Sommige deskundigen
zijn van mening dat hondachtigen veel informatie uit deze geursignalen
kunnen halen. Men gelooft dat de geur iets zegt over het geslacht, de leeftijd
en de gezondheid van de hond die heeft geürineerd, en zelfs dat eruit
kan worden opgemaakt wat hij heeft gegeten. Bepaalde hormonen in de urine
geven zelfs informatie over de psychische gesteldheid van de urinant ten
tijde van de urinelozing - of hij kwaad, bang of tevreden was - en men
kan eruit opmaken of hij recent aan het geslachtsverkeer heeft deelgenomen.
(Het krabben met de achterpoten op de grond na de ontlasting, waarbij een
zweetachtige afscheiding op en tussen de voetzolen wordt gebruikt, heeft
een vergelijkbare doch minder informatieve functie.) Aldus wordt een grote
boom of rots, of in de stad een paaltje of schutting, gebruikt als dagblad
en roddelrubriek voor alle hondachtigen in de buurt. Na het laatste nieuws
te hebben vernomen zullen de meeste honden (met name de reuen) geneigd
zijn hun eigen informatie over het voorgaande bericht te verspreiden.
Psychologie
Het gedrag van onze
gedomesticeerde hond lijkt op dat van wolvenpups. Als een hond het gezicht
van een mens likt, imiteert hij in feite het gedrag van pups, die het gezicht
van hun moeder likken om haar te bewegen voedsel op te geven. De `kusjes'
van jullie hond betekenen in werkelijkheid dus dat hij jullie als zijn
moeder beschouwt en om een lekker hapje bedelt. (Streel daarom nooit de
mondhoeken van een hond, want dit kan hij opvatten als onderwerping van
jouw kant!)
Een ander kenmerk
van de gedomesticeerde hond is zijn relatieve onderworpenheid. Eén
effect van de neotenie is pupgedrag, en pups dagen de volwassen leden van
de roedel nu eenmaal niet uit voor het roedelleiderschap. In het wild daagt
de opgroeiende hondachtige het eerst de kleinste en zwakste leden van de
roedel uit, om zich vervolgens in de hiërarchie op te werken. Omdat
geen mens belang heeft bij een hond die in verband met deze drift een bedreiging
voor de kinderen vormt (zij zijn de kleinste en zwakste leden van onze
roedel), hebben wij de gedomesticeerde hond op onderworpenheid, liefheid
en puppy-achtige afhankelijkheid doorgefokt. De grotere honden zijn meestal
veel minder actief dan hun wilde soortgenoten.
Een hond is een typisch
gewoontedier. Alles wat nu mag, mag over vijftien jaar nog. Alles wat nu
niet mag, mag nooit niet. Hou je daaraan, wees consequent, want dat begrijpt
de hond en dat verschaft hem veiligheid. Als hij nu, als klein pupje, in
de kamer wél tegen je mag opspringen, maar straks niet, als hij
groot is, het buiten één grote modderpoel is en jij toevallig
je nieuwe, witte regenjas aan hebt, dan snapt de hond niet waarom hij plotseling
straf krijgt. Iets is `nooit' of `altijd' toegestaan; van een gulden middenweg
of een goede of slechte bui van het baasje begrijpt een hond geen snars.
De hond is net een computer; hij wacht erop om te worden geprogrammeerd
door een goede trainer. De hond iets aanleren kost oneindig veel minder
moeite dan de hond iets afleren. De hond mag dus niet op de bank en niet
tegen mensen opspringen. Zeg tegen je gasten dat zij dit gedrag niet mogen
stimuleren.
Een gulden stelregel:
het gezin is een roedel en hoewel hij volledig tot de roedel behoort, neemt
de hond ALTIJD de laagste plaats in de rangorde van de roedel in.
Intelligentie
De mens lijkt over
specifieke gebieden van de intelligentie te beschikken, waarbij gelijktijdig
sprake is van hoge als van lage intelligentie. Wij kennen allemaal wel
verhalen over fantastische schakers die op school niet konden meekomen
en in een gewoon gesprek geen boe of ba kunnen zeggen, hoogleraren fysiologie
die thuis nog geen stop kunnen verwisselen, briljante chemici die geen
wijs kunnen worden uit een recept om cake te bakken, beroemde generaals
die bij hun eigen kinderen niets te melden hebben en uiterst professionele
psychotherapeuten die geen idee hebben wat ze moeten doen wanneer hun eigen
huwelijk op de klippen dreigt te lopen. Bij al deze voorbeelden is gelijktijdig
sprake van intelligentie en geestelijk onvermogen.
Hetzelfde verhaal
gaat op voor honden. Sommige honden lijken over een hoge algemene intelligentie
te beschikken en kunnen vrijwel alles leren, terwijl de intelligentie van
andere honden beperkt lijkt te zijn en alleen openstaat voor het aanleren
van specifieke vaardigheden. Jachthonden, zoals de Engelse Setter of de
Labrador Retriever, zullen vrijwel zonder training speuren en het wild
traceren, maar het is goed mogelijk dat men deze honden nooit kan aanleren
om een kudde schapen te hoeden, hoeveel training ze ook krijgen. Anderzijds
blijkt dat collies als de Working Sheepdog uitstekende herdershonden zijn,
maar dat ze totaal ongeschikt zijn om als jachthond te worden gebruikt.
Deze hoge en lage scores op diverse gebieden duiden op verschillen bij
de bijzondere intelligentie.
Fysiek
Traplopen is schadelijk
voor de schouders van de hond en bevordert heupdysplasie. Laat de hond
dus niet traplopen voordat hij volwassen is, hoe grappig het ook kan zijn
wanneer je pup je 's zaterdagsmorgens wekt omdat hij honger heeft en eten
wil. Niet aanleren.
Ligplaats
Dit mag niet en dat
moet juist wel. Denk niet dat jullie de eersten zijn die het gedrag van
de hond corrigeren. Al in de kist bij moeder krijgt de pup moppers van
moeder en wordt hij omver gelikt, net als hij naar de drinkbak waggelt.
Maar dat is niet het enige. Zijn broertjes en zusjes hebben vaak met hem
gevochten en daarbij heeft hij talloze malen het onderspit moeten delven.
Helaas, zij zijn er nu niet. Pupje's nest is weg en hij is nu niet meer
bij Joe Batt's Arm. Alles ruikt hier verkeerd. Niet één luchtje
is hier vertrouwd. Natuurlijk ga je dan een plasje doen. Dat stelt je gerust.
Dan voel je even weer thuis.
Je bent dus heus nog
wel het lievelingspupje en kunt gerust eens wat rondlopen door die immense
kamer, die je nog lang niet als jouw huis of jouw nest beschouwt. Lach
om dat plasje! Grijp niet in, want daar zal de hond hevig door schrikken.
De hond en jullie zullen dikke maatjes worden, dus die paar onnozele druppels
op het parket doen niet ter zake. We staan zonder lawaai te maken op en
verwijderen de druppels. Binnen een week zal de hond zijn nieuwe omgeving
aanvaard hebben en zal hij zich lid van jullie roedel voelen. Vooralsnog
is dat niet het geval, maar wanneer we net doen of we niet op hem letten,
dan doen vermoeidheid en slaap hem weldra in een donker hoekje indommelen.
Omdat de hond graag
zijn bed opmaakt voor hij gaat slapen, is het handig een dekentje of een
doek in zijn mand te leggen. Manden van pitriet zijn minder geschikt, omdat
de hoekjes in het vlechtsel moeilijk te reinigen zijn en de hond het als
een uitdaging ziet om de hele mand in duizenden stukjes te verknagen. Stevige
kunststof voldoet het best.
Een andere mogelijkheid
is een bench, een soort kooi. De voordelen van
een bench zijn legio: op een gegeven moment krijgt een jonge hond de neiging
om dingen kapot te gaan vreten, vooral wanneer hij aan het wisselen is.
Soms is het ook gewoon verveling, want meestal gebeurt als er geen mens
in de buurt is. Wanneer je de hond vroeg (vanaf het begin) aan de bench
went, zal hij het niet als een straf ervaren wanneer het deurtje van de
bench wordt gesloten. Het is immers zijn nest, zijn eigen plekje, waar
hij (bijna) alles mag doen. Een ander voordeel van een bench is dat er
een metalen of kunststof bak in zit, zodat eventuele plasjes niet op de
vloerbedekking belanden. Deze bak is zeer eenvoudig te reinigen. De meeste
mensen kopen hun bench bij de fokker, wanneer zij hun pup mee naar huis
nemen. Koop vooral de één na grootste maat bench. (Kostprijs
± € 100,-.)
We plaatsen de bench
of mand uit de tocht en niet te dicht bij de verwarming. Als hij ergens
anders in slaap valt, kunnen we het hoopje hond heel voorzichtig opnemen
en hem zachtjes in zijn nieuwe bedje neerleggen.
Zindelijk maken
De jonge hond heeft
als hoofdvoedsel rauw vlees nodig. Kopvlees, kipvlees en vooral pens voldoen
het beste. Geef de de hond nooit varkensvlees, want veel honden reageren
er slecht op.
Een gezonde hond is
in principe al zindelijk als hij bij jullie thuis komt, d.w.z. dat hij
niets op zijn slaapplaats doet. Het begrip `eigen nest' moet dus worden
uitgebreid en dit is gemakkelijker dan hem iets geheel nieuws bijbrengen.
De opvoeding van een
pup kost veel tijd, zeker in de eerste zes weken dat hij bij jullie is.
Het is een tijd van goed opletten, corrigeren en vooral uitbundig belonen.
Foute reactie: geen beloning. Goede reactie: beloning. En dan maar hopen
dat de goede reactie snel komt, zodat de hond niet ontmoedigd raakt. Een
slimme trainer kan goede hints geven, maar de hond moet ze nog altijd begrijpen,
en als hij het eenmaal goed heeft gedaan moet hij over de vaardigheid beschikken
om te onthouden wat ook al weer goed en fout was. Mocht je de hond al willen
bestraffen, doe dit dan ALLEEN wanneer je de hond op heterdaad betrapt,
niet vijf minuten of zelfs uren na het `misdrijf', want dan ziet de hond
absoluut geen verband meer tussen het misdrijf en de straf, en heeft straffen
geen enkele zin meer.
Let goed op het hondje,
vooral als het pas gegeten of gedronken heeft. Het voedsel en de melk geeft
men op vaste tijden; water moet - vaak ververst - altijd tot zijn beschikking
staan. Een half uur voor en na de maaltijd is drinken echter niet gewenst.
Meestal gaat de pup
opeens een walsje maken en zich met zijn onhandig lijfje tot poepen zetten.
Vocht lozen geschiedt zonder voorbereiding. Hij loopt even vastbesloten,
plaatst dan voor- en achterbenen goed ver uit elkaar en daar gutst het
al. Zodra men nu janken, draaien of wijdbeens staan bespeurt, pakt men
de onschuldige smeerpoets op en brengt hem naar buiten. Niet bestraffen
of mopperen, want het pupje heeft er nog geen benul van dat dit niet mag.
Hij is nog maar een kleuter. We spreken hem vriendelijk toe en aaien hem.
Zetten we hem nu buiten, in de berm of op straat (nooit in de eigen tuin,
want die moet hij als onderdeel van zijn eigen nest gaan beschouwen en
een hond bevuilt zijn eigen nest niet), dan blijkt hij het doel van de
verplaatsing vergeten en gaat soms doodleuk op zijn achterste zitten rondkijken.
Geduld! Duurt het heel lang, dan nemen we hem maar weer mee naar binnen,
maar nu dubbel opletten! Doet de pup iets buiten, dan strelen we hem, prijzen
hem uitbundig en geven we hem wat lekkers. Is hij binnen al bezig voordat
we het in de gaten hebben, dan toch opnemen en buiten zetten. Niet boos
doen, het ventje treft geen blaam. Het zijn wij die gesuft hebben.
Storen wij de onverlaat
bij zijn ontlasting, dan bestaat de kans dat hij buiten geheel van zijn
apropos is en geheel vergeten is waar hij mee bezig was. Is het kwaad al
volledig geschied zonder dat wij er erg in hadden, dan maar doen alsof
er niets gebeurd is. Buitenzetten heeft dan geen zin meer en moppers zou
hij verkeerd begrijpen. Een gezonde en van nature zindelijke hond zal gauw
in de gaten hebben wat er van hem wordt verlangd, al zal hij zich in het
begin misschien nog wel eens vergissen.
Er bestaat verband
tussen de etensuren en de tijden van ontlasting. Dit is onder meer afhankelijk
van de soort voedsel. Regelmaat is een eerste vereiste. Voer je stipt op
gezette tijden, dan krijg je daardoor ook vaste tijden van ontlasting.
Op deze tijdstippen ga je met de hond wandelen. (Vlak na de maaltijd geen
wandelingen, wel even buiten zetten.)
Om te wandelen moet
de hond een halsband of een tuigje hebben. Sommigen preferen een tuigje,
maar zeker zolang de hond nog snel groeit, is dat niet aan te raden. Bovendien
gaat er van een tuigje geen enkele zelfcorrigerende werking uit. Alleen
bij het speuren is een tuigje een raadzaam middel.
Persoonlijk geef ik
bij opgroeiende pups de voorkeur aan een halsbandje van zacht leer. Later,
als de hond voornamelijk los loopt en slechts heel af en toe aan de lijn,
is een slipkettinkje wel handig. Dat schuif je zo af, verzamelt geen vlooien
en bacillen en herinnert de hond er snel aan dat hij aan de lijn
loopt en niet mag trekken. In de natuur worden honden door soortgenoten
gecorrigeerd door een beet in de nek; het slipkettinkje doet in feite hetzelfde,
alleen corrigeer jij de hond niet, maar corrigeert de hond zichzelf. Immers,
zolang de lijn slap blijft hangen, voelt de hond het slipkettinkje niet.
De hond zal voorlopig
eerst moeten wennen aan het dragen van een halsbandje. Bind hem direct
de eerste dag onder het eten een slap touwtje om de hals. Verder niets.
Een paar dagen later, weer terwijl het eten hem afleidt, knoop je er een
eindje touw aan vast. Nog later vervang je het eerste touwtje door een
licht halsbandje.
Nu gaan we met hem
aan de lijn lopen. We houden de lijn (een speciaal puppyriempje van een
meter of twee) slap en praten geanimeerd met hem, om zijn aandacht vast
te houden. Waarschijnlijk loopt hij zo met je mee, zonder te merken dat
hij vast zit. Maar soms gaat hij zitten. Halsstarrig, in volledig verzet.
Geduld! Wachten! Straks
loopt hij weer met je mee. Doet hij dat niet, bijt hij in de lijn of maakt
hij rechtsomkeert, dan neem je hem onder vriendelijk toespreken op, draagt
hem even, zet hem dan weer neer en lokt hem verder. Dikwijls is hij zijn
bezwaren alweer vergeten en tippelt hij vrolijk met ons mee.
Is er veel verzet,
dan niet dwingen. Morgen gaat het waarschijnlijk wel beter. We pakken hem
op, dragen hem even in de oude richting, keren ons dan om, gaan een paar
stappen terug en zetten hem neer. Tien tegen een dat hij huiswaarts keert.
Zorg ervoor dat het
halsbandje niet strak zit, maar ook niet zo los dat de pup hem over zijn
kop kan schuiven. Laat de pup dan onder begeleiding zijn nieuwe huis verkennen.
Een gemakkelijke en bijna automatische manier om dit te doen is het puppyriempje
aan de ene kant aan je broekriem te bevestigen en aan de andere kant aan
de halsband van de pup, zodat je hem zolang je thuis bent in je buurt hebt.
Telkens wanneer je
binnenshuis verplaatst noem je de naam van de pup en sta je op om de dingen
te gaan doe die je moet doen. In het begin zal je de pup nog wel eens moeten
overhalen om je te volgen, maar na een paar dagen zal hij je automatisch
achterna lopen. Prijs en beloon de pup regelmatig in deze fase, om hem
zelfvertrouwen te geven, maar laat je in elk geval niet ontmoedigen door
zijn fel verzet. Na enige tijd volgt de pup je vanzelf, zonder het riempje,
alleen al bij het horen van zijn naam.
Dit programma stelt
de hond aan veel meer indrukken bloot dan wanneer zijn bewegingsvrijheid
wordt beperkt tot de kamer, de achtertuin en de keuken. Hij komt voortdurend
voor `problemen' te staan, zoals `hoe kom ik om die bank heen', en je staat
er misschien niet bij stil, maar elke kamer in huis heeft een andere geur,
ander licht en andere geluiden. Het spreekt voor zich dat de pup nog veel
meer ervaringen opdoet wanneer je hem regelmatig mee naar buiten neemt
en met hem bij andere mensen op bezoek gaat.
Neem de hond ook eens
mee als je boodschappen gaat doen, of het nu te voet of met de auto is.
Stel je hond zo veel mogelijk bloot aan nieuwe ervaringen, in parken, winkels,
andere huizen en op schoolpleinen, maar laat je pup tijdens deze excursies
nooit loslopen, behalve op plaatsen waar hij niet weg kan komen, zoals
in de auto. Je moet je hond met zo veel mogelijke nieuwe mensen en honden
in contact brengen. Dat is niet zo moeilijk, want met uitzondering van
een enkeling zijn de meeste mensen gek op honden. Let echter goed op bij
kleine kinderen, want zij kunnen de hond soms ongewild pijn doen, en blijf
erbij wanneer je pup met andere honden speelt. Tijdens de eerste maanden
van hun leven verspreiden pups nog bepaalde geurstoffen, feromonen, die
de andere honden duidelijk maken dat het een jong hondje is. De meeste
normale honden houden in hun gedrag heel goed rekening met deze boodschap
van de natuur, maar ga daar niet voetstoots van uit, tenzij je de nieuwe
speelkameraad van jouw pup goed kent.
Al deze sociale interactie
en verandering van omgeving zorgen voor extra stimulans voor je hond. Sociale
interactie, speelgoed (bij voorkeur van buffelhuid, geen oude schoenen)
en andere manipuleerbare objecten, en nieuwe situaties vormen allen problemen
waarvoor een oplossing moet worden bedacht.
Even iets over beweging
en lopen. Een groeiende hond moet zoveel beweging nemen als hij zelf wenst,
zonder ons aandrijven. Verre wandelingen zijn dan ook nadelig voor hem;
zij eisen te veel van zijn krachten en gewrichtsbanden. Een wandeling is
al gauw te lang en al loopt de hond tot het eind enthousiast mee, de hond
is een zenuwpees, want hij is van oorsprong een jachtdier, dat zijn prooi
niet bespringt, maar doodjakkert. De pup loopt dus mee, al gaat het ver
boven zijn krachten.
Onze eerste loopjes
aan de lijn mogen dus niet lang duren. Dit hoeft ook niet. Het doel is
slechts de pup gelegenheid tot lozen te geven en hem zoetjes aan te wennen
aan de straat en aan meelopen, voorlopig alleen aan de lijn. Tijdens de
wandeling doet hij allerlei nieuwe indrukken op. Ten eerste de plekken,
waartegen zijn soortgenoten pootjes lichten, lantaarnpalen, bepaalde gevels
en bomen. Dit zijn aantrekkelijke plaatsen, zij leren hem wie er de laatste
tijd geweest zijn en het is merkwaardig hoe ernstig, ingespannen en nadenkend
ze besnuffeld worden. Hij verdiept zich erin, alsof hij de krant leest.
Je doet er echter
verstandig aan je hondje daar vandaan te houden, want in de urine en ontlasting
van andere honden kunnen ziektekiemen van de hondeziekte of een andere
gevaarlijke ziekte zitten. Na deze eerste wandeling op straat keren we
naar huis terug.
Heeft de hond eenmaal
een volwassen bouw, dan ben je geneigd vrijwel dagelijks uitputtende struintochten
met de hond te gaan ondernemen. Je ziet dat de hond daar van geniet, maar
ook nu blijft het bovenstaande verhaal over het `doodjakkeren-instinct'
van kracht. En vergeet ook nu niet dat de hond een gewoontedier is. Als
de hond de eerste fase van zijn leven gewend is om dagelijks langdurig
uit te gaan, zal hij zeer onrustig worden wanneer jouw enthousiasme ten
opzichte van deze uitjes na een jaar of anderhalf vermindert. Een hond
die elke maandag, woensdag, vrijdag en zondag een lange wandeling met de
baas maakt, zal elke dinsdag, donderdag en zaterdag zeer opgefokt zijn
en teleurgesteld als er niet wordt gewandeld. Daarentegen zal een hond
die minder regelmatig uren mee op sjouw wordt genomen deze situatie als
normaal gaan beschouwen, terwijl hij zeer blij is wanneer hij eens mee
mag naar de duinen, het strand, de hei of het bos.
Nog een tip: neem
voor de normale uitlaatbeurt (minstens viermaal daags) een totaal andere
kleur riem dan voor de uitgebreide uitlaatbeurt. De hond weet dan al gauw
wat hem te wachten staat en zal niet helemaal hoteldebotel zijn zonder
dat daar een reden voor is.
Je staat er niet bij stil, maar doorgaans is naar de wc gaan het eerste wat je doet zodra je bed uitkomt. De zindelijke hond zou dit het liefst ook doen, maar kan dat niet, omdat hij moet wachten tot het baasje of het vrouwtje zover is om hem uit te laten. Maak er dus een gewoonte van om eerst de hond uit te laten alvorens je koffie gaat drinken en uitgebreid de krant gaat lezen.
Blijft de hond nachts
onzindelijk, ook al laat je hem laat en vroeg uit en al drinkt hij niet
voor het slapen, dan kun je hem, mits je hem horen kan, in een afgesloten
hokje laten slapen. Tenzij hij ziek is, is de zaak dan in orde. Natuurlijk
moet deze overdekte nachtgelegenheid zo hoog zijn dat hij er rechtop in
kan staan en zo lang en breed dat hij er zich gemakkelijk in kan omdraaien.
De zindelijkheid zal,
wanneer je geen wonderen eist, spoedig in orde komen. In het zeldzame geval
dat je hond onzindelijk blijft, doet je er goed aan een dierenarts te raadplegen.
Mogelijk komt door onderzoek een lichamelijk gebrek aan het licht en dankt
de hond hieraan de tijdige genezing van een kwaal, die anders niet zo snel
aan het licht was gekomen.
Acht de arts de hond
op en top gezond, tracht hem dan op heterdaad te betrappen, en is hij minstens
vier maanden oud en twee daarvan bij jullie, dan mopper je op hem. Je kijkt
hem in de ogen en zegt met een diepe, donkere stem zoiets als `foei'! (Het
geeft in principe niet wat je zegt, als de hond de afkeuring maar niet
kan verwarren met een bepaald commando.) Bij dit alles moet je vooral ernstig
blijven en niet, wanneer een schat van een Labrador Retriever brutaal terugblikt,
lachen. Noch, wanneer de smeerlap heel ongelukkig doet en - waarschijnlijk
schijnheilig - op de rug gaat liggen, onder je medelijden bezwijken. Want
dan wordt het alleen maar erger.
De hond en wij zijn
niet alleen op de wereld. Al weten jullie samen wel dat de anderen overdreven
doen en veel te negatief denken; zij zien alleen de plasjes, de hoopjes,
de haartjes en de vervreten rotan meubels, en dus proberen wij die te vermijden
zodat ook de anderen oog krijgen voor het positieve.
Wraak nemen ten aanzien
van een `misdaad' die reeds begaan is, leert de hond niets en vervreemdt
hem van ons. Wil je de pup iets leren, dan zijn sympathie en beloning wondermiddelen.
Een pup met de neus door urine of ontlasting wrijven, is behalve onfris
opvoedkundig niet juist en kan tot permanente nare gevolgen leiden, zoals
schuwheid t.o.v. de baas, ook wanneer daar - op dat moment - totaal geen
aanleiding voor is. Maak de plaats des onheils schoon, het liefst met iets
welriekends, zoals een spuitbus dennegeur. Peper e.d. zijn gevaarlijk voor
ogen en slijmvliezen van de hond en reinigen niet. Laat deze specerij dus
in de molen en gebruik het uitsluitend op je eigen voedsel. Middelen als
Antismell verdrijven slechte geur en voorkomen herhalen. Tegen plassen
tegen gevels of hek helpt wit schilderen.
Hou de hond gerust
in de kamer als je eet, maar zorg er dan wel voor dat de hond al gegeten
heeft, al was het alleen maar om kwijlen te voorkomen. Bedelen kun je voorkomen
door de hond nooit maar dan ook nooit iets te geven als je aan tafel zit.
Geef de hond nooit
een afgedankte oude schoen als speelgoed (laat ook nooit schoenen beneden
staan), want hij is niet in staat onderscheid te maken tussen oude en nieuwe
schoenen.
Alleen zijn
Om ervoor te zorgen
dat jullie pup zo veel mogelijk nieuwe indrukken opdoet, is het belangrijk
dat je de hond, zeker in zijn prilste jeugd, zo weinig mogelijk alleen
laat. Eén kanttekening wil ik hierbij maken: je moet de pup wél
vroegtijdig leren om alleen te zijn wanneer het niet anders kan. Zoals
gezegd, een hond is een gewoontedier, en wanneer je hem er alleen aan went
dat hij altijd mee mag, is de kans groot dat hij heftig protesteert wanneer
dat toevallig eens niet gebeurt. Leer de hond dus al vroegtijdig alleen
te zijn. Ga eens een minuut of tien samen weg (echt weg, niet om een hoekje
staan wachten, want de hond is niet gek) en beloon de hond dan uitbundig
als je terugkomt en hij braaf geweest is. Verleng deze periode telkens,
zodat de hond op een gegeven moment rustig een groot aantal uren probleemloos
alleen kan zijn.
Blijft de hond blaffen
zodra je weg bent, keer dan terug, sluip naar hem toe en betrap hem op
heterdaad. Spreek hem bestraffend toe en verwijs hem naar zijn mand. Herhaal
dit zonodig. Laat je vooral niet vermurwen; de hond is stout, foei. Je
kunt niet vroeg genoeg beginnen je hond aan te leren om alleen te zijn.
Met de hond op reis
Leer de hond al vroegtijdig
aan allerlei vormen van reizen, bijvoorbeeld met de auto, de trein, de
bus of in de fietskar. Reageer niet op zijn eventuele protest. Begin met
korte ritjes, die altijd eindigen in een prettige activiteit, en voer de
reisduur geleidelijk op.
Basiscommando's
Om de persoonlijkheid
van een hond te vormen kan je het best met een jonge pup beginnen. Door
hem vanaf de inprentingsfase al bloot te stellen aan de juiste ervaringen,
kan je zijn karakter zo vormen dat hij een uitstekende werk- of huishond
wordt. De belangrijkste fase is de leeftijd van zeven tot twaalf weken.
Een pup moet minstens
zeven weken bij zijn moeder, broertjes en zusjes in het nest blijven, alhoewel
de zogende teef er dan in het verband met de scherpe tandjes van de pups
meestal wel genoeg van heeft. Tijdens deze periode ontwikkelt hij zijn
identiteit als hond in relatie tot andere honden en is het contact met
andere honden erg belangrijk. Wanneer er slechts een of twee pups in het
nest zitten, is het verstandig om de pups veelvuldig te laten omgaan met
andere, niet-agressieve honden. Behoort dit niet tot de mogelijkheden,
dan zijn er aanwijzingen dat het contact met de mens - één
of tweemaal daags een minuut of tien, waarbij wat wordt gespeeld en gestreeld
en tegen de pups gepraat - een redelijk alternatief is.
Na ongeveer zeven
weken (veel serieuze Europese fokkers laten de pups niet eerder vertrekken
dan wanneer ze acht of negen weken oud zijn) is het tijd om de pup uit
het nest te halen en hem mee naar huis te nemen. Wanneer de pup de komende
vijf (vier, drie) weken veelvuldig wordt blootgesteld aan contact met alle
huisgenoten, zal hij hen als leden van zijn roedel gaan beschouwen. Deze
acceptatie leidt ertoe dat de hond goed met mensen kan opschieten. Pups
die in deze periode niet genoeg met de mens in contact komen, zullen opgroeien
als honden die moeilijk in de omgang zijn. Zij gehoorzamen vaak niet goed
en presteren slecht op trainingen.
Het contact met de
mensen die deel uitmaken van `zijn' gezin doet de pup erg goed en leidt
tot de sterkste sociale banden met de mens. Er moet minstens eenmaal daags
een speels contact tussen hond en mens plaatsvinden, zodat de psyche van
de hond eraan went dat de mens een belangrijk deel van zijn leven uitmaakt.
De positieve gevoelens die hierdoor ontstaan kunnen op andere mensen worden
overgedragen wanneer de hond eventueel ooit van eigenaar verandert.
Na de puppytijd zijn
er ook nog praktische manieren om de persoonlijkheid van de hond te verbeteren.
Zelfs honden die van nature dominant zijn kunnen zover worden gebracht
om het leiderschap van de mens ten volle en zonder voorbehoud te accepteren.
De leeftijd is echter een belangrijke factor en de `therapie' kan niet
vroeg genoeg beginnen. Bovendien moeten de oefeningen gedurende het hele
leven van de hond met enige regelmaat worden herhaald. Zij vormen de basis
van een gedragsverandering die ertoe kan leiden dat je een hond met een
fantastisch karakter krijgt.
Aanraking:
Dit is niet het gewone aaien dat we doen om de hond of onszelf een plezier
te doen, maar het systematisch aanraken van het hele lichaam van de hond.
Hiermee wordt het gedrag van de moeder geïmiteerd, die haar pups over
het hele lichaam likt, hetgeen niet alleen voor een emotionele band zorgt,
maar waarmee zij ook uiting geeft aan haar dominantie, alsmede het feit
dat zij alle pups in haar nest onder controle heeft. Het belang van deze
aanraking beperkt zich niet tot de puppytijd; het dominante lid van een
roedel wilde honden of wolven kan elk minder dominant lid van de roedel
likken of besnuffelen, en door dit toe te staan tonen de andere roedelleden
hun onderworpenheid. Maar ook hier speelt het versterken van de emotionele
band een belangrijke rol.
Het is van belang
dat je dit aanrakingsritueel bijna dagelijks uitvoert en dat alle gezinsleden,
met name de kinderen, eraan deelnemen. Het gaat als volgt: je praat zachtjes
tegen de hond, noemt herhaaldelijk zijn naam en laat hem voor je staan
of zitten. Neem zijn kop in beide handen en aai zijn oren, kop en nek,
waarbij je de hond in de ogen kijkt. Laat je handen vervolgens van de nek
van de hond naar zijn rug en zij glijden, en dan van zijn borstkas naar
zijn voorpoten. Nu streel je de buik van de hond en vervolgens zijn heupen
en achterpoten, helemaal tot aan de voetzolen. Laat tenslotte je handen
licht over de staart van de hond glijden en beëindig de massage door
de kop van de hond nogmaals in beide handen te nemen en opgewekt de naam
van de hond uit te spreken. De hele aanrakingsprocedure neemt een halve
minuut tot een minuut in beslag en waarschijnlijk geniet je hond intens
van al deze aandacht.
Een bijkomstig voordeel
van deze dagelijkse aanraking is dat je onmiddellijk in de gaten hebt of
de hond last van klitten of ongewone gezwellen heeft.
Een alternatieve manier
van aanraken is het borstelen van de hond, waarbij dezelfde plaatsen worden
beroerd. Borstelen is een iets minder zachtzinnige manier van aanraken,
die de dominantie van de borstelaar meer benadrukt. Dit heeft als voorbeeld
dat de hond er beter verzorgd uitziet en er minder haar op de vloer belandt.
Vergeet niet om ook tijdens het borstelen regelmatig de naam van de hond
te noemen.
Manipulatie en actieve
controle: Om jouw leiderschap en dominantie meer te benadrukken is
het noodzakelijk dat je de hond regelmatig je wil oplegt of hem iets verbiedt,
zodat hij zich in een positie bevindt waarin hij onderwerpingsgedrag moet
vertonen. Wanneer je hiermee begint als de hond nog een pup is, zal hij
zich graag aan je onderwerpen, maar wanneer de hond volwassen is zal je
misschien van `grovere' middelen gebruik moeten maken.
Je hoeft de hond alleen
maar af en toe eens een minuut of twee in bedwang te houden. Spreek de
hond zacht toe en houd zijn bek een seconde of twee dicht. Laat de hond
dan op zijn zij liggen en zorg ervoor dat hij ongeveer een minuut blijft
liggen. Wanneer de hond zijn poten niet omhoog doet, laat hem dan op zijn
rug gaan liggen en kijk hem daarbij recht in de ogen. Wanneer de hond je
blik ontwijkt en zijn ogen afwendt, kun je de oefening beëindigen
en een beetje met de hond gaan stoeien, totdat zijn staart kwispelt. (Dominante
honden staren honden met een lagere status aan, en de lager geplaatste
honden laten door hun blik af te wenden blijken dat zij de dominantie van
de hoger geplaatste hond accepteren.)
Af en toe moet je
de hond even zachtjes aan zijn nekvel naar je toe trekken. Wanneer het
een klein hondje is, volstaat het als je hem een seconde of tien, vijftien
optilt, zoals moederhonden dat bij hun pups doen om ze onder controle te
houden.
Het versterken van
de hiërarchie in de roedel: Het roedelleiderschap gaat gepaard
met bepaald gedrag. De roedelleider heeft de eerste keus bij het eten,
slaapt waar hij wil, gaat als eerste door een opening of begeeft zich als
eerste op een nieuw territorium en kan op elk gewenst moment om aandacht
vragen.
Wanneer je hond jou
(en je gezin) als roedelleider accepteert, zal hij ondanks zijn lagere
plaats op de sociale rangorde een keurig lid van de roedel zijn, dat graag
voor je wil werken. Je moet je leiderschap versterken door het gedrag van
de roedelleider te imiteren.
Als roedelleider moet
je het niet accepteren dat de hond vóór jou door een deur
gaat. Wanneer de hond ergens ligt, moet je hem af en toe voor je laten
opstaan. Wanneer de hond dit doet, prijs hem dan en laat hem terugkeren
naar de plaats waar hij lag, wanneer hij daar tenminste nog zin in heeft.
Je moet de hond zo nu en dan ook wat voedsel afpakken. (Daar kan je het
best al heel vroeg mee beginnen, als de hond nog een pup is en zijn agressie
nog gemakkelijk kan worden gecontroleerd.) Wanneer je dit hebt gedaan en
de hond niet agressief reageert, prijs hem dan uitbundig en geef hem het
voedsel terug. Ten slotte is het van belang dat de hond geen aandacht van
je vraagt door te blaffen, te krabben of tegen je op te springen. Wanneer
hij dat doet, zeg je niets, maar laat hem op zijn rug liggen en kijk hem
even diep in de ogen. Wanneer een volwassen hond tegen je opspringt kun
je hem dit gemakkelijk afleren door je knie op te trekken. De hond springt
dan tegen de knie aan, hetgeen geen prettig gevoel is, en zal het opspringen
heel gauw afleren.
Aandacht en onderworpenheid:
De voorgaande oefeningen zijn bedoeld om de dominantie van de hond
binnen de perken te houden. De volgende oefeningen hebben tot doel de aandacht
voor de mens en de acceptatie van het leiderschap van de mens te vormen
of te versterken. Het eerste aspect van de controle over de hond is het
hem aanleren van zijn naam. Daarom moet je bij alle oefeningen telkens
de naam van de pup noemen, en elke keer voordat je hem te eten geeft, uitlaat,
begroet, beloont, bestraft of met hem speelt. Wanneer je dit regelmatig
doet, leert de pup dat zijn naam het signaal is dat er iets gaat gebeuren
dat hem persoonlijk aangaat. Hij zal dan ook al snel gaan opkijken wanneer
zijn naam wordt genoemd.
Het belangrijkste
commando dat de hond moet leren is `zit'. Het zorgt ervoor dat de hond
zijn overige activiteiten staakt en zich in een positie bevindt van waaruit
gemakkelijk andere opdrachten kunnen worden opgevolgd. Het is bovendien
een van de gemakkelijkste commando's om de pup aan te leren, want het gebeurt
vrijwel automatisch. Ga op je hurken zitten met een lekker hapje in je
hand en houd dit boven de hond, terwijl je zijn naam laat volgen door het
commando `zit'. Houd het hapje nu boven het achterhoofd van de pup. De
meeste honden zullen automatisch gaan zitten, omdat ze dan de hand met
het hapje in de gaten kunnen houden. Gaat de pup niet zitten, duw dan zachtjes
op zijn stuitje (dat bij de hond `kruis' of `croupe' wordt genoemd), totdat
hij de gewenste houding aanneemt, en beloon en prijs hem zodra hij zit.
Herhaal deze oefening zo'n tien keer, totdat de hond in de gaten heeft
wat er van hem wordt verwacht, en oefen het commando dagelijks. Na verloop
van enige tijd kun je het belonen met een hapje achterwege laten, maar
blijf hem wel prijzen.
Zodra de pup het commando
`zit' onder de knie heeft, kun je hem eraan wennen om andere commando's
op te volgen. Je geeft de hond nooit zomaar iets; hij moet er altijd iets
voor doen. Voordat de hond te eten krijgt: `zit'. Voordat hij uitgelaten
wordt: `zit'. Voordat je met hem gaat spelen: `zit'. Voordat hij wordt
gestreeld of geborsteld: `zit'. Enzovoort. Later, wanneer de hond meer
commando's kent, kun je voor wat afwisseling zorgen, maar het gaat erom
dat de hond leert dat hij eerst op de juiste wijze moet reageren op jou,
de leider, voordat hij de dingen krijgt die hij graag wil hebben.
De hond moet voelen
dat jij de situatie altijd beheerst. Dit betekent dat je de hond nooit
iets moet opdragen, tenzij je zeker weet dat je hem dit ook kunt laten
uitvoeren. (Gebruik daarom de platte, lange lijn, plusminus 5 meter.) Een
goed getrainde hond zal zonder meer de geleerde commando's opvolgen, maar
totdat het zover is moet je ervoor zorgen dat je altijd in een positie
verkeert waarin je hem kunt dwingen het commando op te volgen. Je moet
bijvoorbeeld niet het commando `down' geven wanneer je niet dicht genoeg
bij de hond bent om hem eventueel te dwingen om te gaan liggen, en wanneer
de hond het commando `kom' of `kom hier' nog niet onder de knie heeft,
moet je hem aan de lijn houden, zodat je hem naar je toe kunt trekken wanneer
hij niet direct gehoorzaamt. Op deze manier leert de hond dat een commando
geen verzoek is, op basis waarvan kan worden onderhandeld, maar een bevel,
dat te allen tijde wordt bekrachtigd wanneer het niet wordt uitgevoerd.
Net zo belangrijk is het om de hond te belonen of te prijzen, telkens wanneer
hij een commando heeft opgevolgd, zelfs al heb je hem daartoe gedwongen.
Op deze manier leert de hond dat het prettig is om iets voor je te doen.
Het is van belang dat je de hond nooit in situaties laat komen waarin het
waarschijnlijk is dat hij zich aan je gezag zal onttrekken en zich zal
misdragen. De hond moet leren: bevelen opvolgen is beloond worden, hetzij
met iets lekkers, hetzij met `braaf!' of een aai over de bol. In parken
zie je regelmatig gedrag van hondenbezitters dat rechtstreeks tegen dit
principe indruist. De hond kent bijvoorbeeld het commando `kom hier'. Hij
speelt met andere honden en misdraagt zich, terwijl hij zich op grote afstand
van de baas bevindt; de baas roept `kom hier', maar de hond luistert niet
en rent vrolijk weg. Na enige tijd bevindt de hond zich (per ongeluk?)
dicht genoeg bij het baasje om gehoor te (moeten) geven aan het bevel.
Hij komt naar de baas en krijgt genadeloos op zijn sodemieter, want baasjes
vinden het niet leuk wanneer hun hond niet luistert, zeker niet wanneer
er andere hondebezitters bij zijn. Bij de hond wordt het principe `bevelen
opvolgen is beloond worden' echter veranderd in `bevelen opvolgen is gestraft
worden', en mocht dit niet onmiddellijk zo zijn, dan zal hij de volgende
keer, als hij weer wordt geroepen, toch rekening houden met het feit dat
de kans groot is dat hij wordt gestraft wanneer hij op bevel bij de baas
komt, waardoor de bereidheid om dit te doen vermindert. Daarom is het zo
belangrijk dat je een bevel altijd onmiddellijk kunt bekrachtigen. Roep
je `kom hier' en komt de hond dan ook, beloon hem dan altijd, hoe hij zich
daarvoor ook heeft misdragen.
Zodra de hond de eerste
basiscommando's kent, moeten deze regelmatig worden geoefend, maar op onregelmatige
tijdstippen en in verschillende omstandigheden. Laat de hond bijvoorbeeld
bij je komen terwijl je t.v. kijkt, laat hem zitten terwijl je met hem
wandelt, of laat hem liggen voordat je hem te eten geeft. Het gaat er niet
alleen om dat de bevelen worden geoefend, maar ook dat de hond leert om
jouw commando's onder alle omstandigheden op te volgen.
Er zijn andere eenvoudige
middelen om de begrepen taal van de hond uit te breiden. Vergeet niet om
telkens wanneer je tegen de hond praat zijn naam te noemen. Uiteindelijk
zal de hond in de gaten krijgen dat het horen van zijn naam een teken is
dat er iets volgt dat hem aangaat. In de eerste periode van de opvoeding
van de hond kun je met de zogenaamde zelftraining beginnen. Daarbij gebruik
je nog geen echte commando's. Houd de hond goed in de gaten wanneer je
tegen hem spreekt. Komt hij naar je toe, dan zeg je: `[Naam hond], kom
hier.' Gaat de hond zitten, dan zeg je: `[Naam hond], zit.' Vervolgens
prijs je de hond, alsof hij een bevel goed heeft opgevolgd. Daarmee leg
je verband tussen een gesproken woord en een actie (nog geen reactie!)
van de hond, en wanneer dit enige malen wordt herhaald, krijgt het woord
een betekenis voor de hond. Psychologen noemen dit associatief leren. Het
voordeel is dat het eigenlijke commando op deze manier veel gemakkelijker
aan te leren is. Soms is dat zelfs helemaal niet meer nodig en begrijpt
de hond al wat er van hem wordt verlangd.
Het associatief leren
is bijzonder handig wanneer je de hond iets wilt leren dat moeilijk of
helemaal niet af te dwingen is. Wanneer ik mijn hond Bas uitlaat en ik
heb haast, dan zeg ik: `Schiet op,' waarop Bas onmiddellijk zijn behoefte
doet. Zoiets valt alleen door associatief leren aan te leren. Zodra een
pup op de juiste plaats zijn behoefte doet, zeg ik: `Schiet op,' en als
de pup klaar is wordt hij geprezen. Het gevolg is dat ik, wanneer ik de
honden uitlaat en het me allemaal veel te lang duurt, omdat de hond het
uitlaten soms verwart met een wandeling, alleen maar `schiet op' hoef te
zeggen om de reactie `een plaats zoeken om te plassen of te poepen' bij
hem op te wekken.
Mijn hond begrijpt
dat het commando `place' betekent dat hij rustig op één plaats
moet blijven, maar dat dit commando, in tegenstelling tot `zit' of `down',
geen betrekking heeft op een absoluut vastgestelde plaats. Het kan mij
ook niet schelen of hij af en toe eens opstaat en heen en weer loopt, als
hij ongeveer maar op dezelfde plaats blijft en niet al te veel activiteit
ontwikkelt. Ook dit commando heb ik hem door middel van associatief leren
aangeleerd. Wanneer de hond zich rustig in de kamer bevond, liep ik naar
hem toe, zei: `Bas, place' en aaide hem, terwijl ik het woord `place' herhaalde.
Na dit een aantal malen te hebben herhaald, zocht mijn hond bij het horen
van het woord `place' automatisch naar een rustige plek om de activiteit
van daaruit gade te slaan, doorgaans de plek waar ik zijn deken of mijn
jas op de grond had neergelegd.
Door zelftraining
wordt het leren een stuk gemakkelijker. Wanneer je gelijktijdig een verbaal
commando en een handsignaal gebruikt, zal de hond beide begrippen aanleren,
en al gauw zal hij op elk signaal afzonderlijk reageren. Dit komt de hond
ook ten goede wanneer hij gehoorproblemen gaat krijgen of blind wordt.
Een van de belangrijkste
dingen die een hond in deze beginfase moet leren, is dat het geluid dat
de baas voortbrengt een bepaalde betekenis heeft. Soms betekent het dat
er iets gaat gebeuren, een andere keer betekent het dat er iets van hem
wordt verlangd en dat hij daarvoor op een of andere manier wordt beloond.
Wanneer de hond dit eenmaal in de gaten heeft, kan de eigenlijke training
beginnen. Wanneer je de hond het commando `zit', `naast' of `down' leert,
leer je hem tevens dat jouw woorden en signalen problemen zijn die hij
kan oplossen. Hoe eerder de hond dit weet, hoe gemakkelijker de hond kan
worden getraind.
Bij de hond zal het
aanleren van de eenvoudige commando's `zit', `down' en `blijf' wat tijd
kosten, maar later zal de hond veel moeilijker commando's relatief snel
aanleren. Met andere woorden: hoe meer je de hond traint, hoe sneller hij
leert hoe je moet leren en hoe gemakkelijker het wordt om hem iets aan
te leren. Het maakt niet uit wat je hem leert; zijn leervermogen neemt
net zo veel wanneer je hem kunstjes aanleert, zoals pootjes geven en opzitten
(alsjeblieft, niet doen!), als wanneer je hem de commando's van de gedrag-
en gehoorzaamheidscursus bijbrengt.
Zorg er altijd voor dat de klanken van de commando's niet teveel op elkaar lijken. `Zitten' en `liggen' lijken erg op elkaar, maar `zitten' (`sit') en `down' niet. `Braaf', `plaats' en `naast' hebben qua klank ook veel overeenkomsten, maar `braaf', `place' en `voet' niet. Alvorens een echt commando wordt gegeven (`braaf' en `foei' zijn geen commando's, maar gedragsbevestigende of corrigerende opmerkingen) noem je eerst de naam van de hond, om zijn aandacht te krijgen: `[Naam hond], hier!' Wees consequent in het geven van commando's. Leer je de hond het commando `hier', wordt dan niet kwaad als je `kom' tegen de hond zegt en de hond reageert alsof hij geen idee heeft wat je bedoelt.
Apport. Sterk
ontwikkelde drift, met name bij jachthonden. Begin met een balletje in
de kamer en zeg `apport' zodra de hond aanstalten maakt het balletje bij
je te brengen.
Blijf. Oefen
dit commando pas als de hond het commando `down' onder de knie heeft. Leg
de hond aan de lijn vast (aan een boom of paal), laat hem `down' gaan,
zeg een paar maal `blijf' en verwijder je al achteruitlopend een paar meter
van de hond, zodra deze rustig is en stil blijft liggen. Blijf `blijf'
zeggen. Blijf staan, zeg `braaf' en loop weer naar de hond toe, waar je
hem nogmaals beloont. Vergroot de afstand geleidelijk, zodat je op een
gegeven moment rustig boodschappen kunt gaan doen, terwijl de hond buiten
(aangelijnd) op je wacht.
Braaf. Het
allerbelangrijkste `commando'. Gebruik het steeds - en overvloedig - wanneer
de hond een opdracht juist uitvoert.
Down. Belangrijk
commando, zeker bij dominante reuen. Zeg `down', laat de hond liggen (desnoods
met enige druk), en beloon hem zodra hij ligt. Hou het leuk, want veel
reuen hebben moeite met dit commando.
Foei. De scherpe
`f' en de klank `oei' hebben een goed corrigerend effect, hoewel elk ander
woord dat geen overeenkomst met een bestaand commando heeft ook effectief
kan zijn. (Altijd serieus blijven bij dit commando.) Zo reageert mijn hond
heel goed op `godverdomme', hoewel ik hem dat nooit met opzet heb aangeleerd.
Hier. Ook:
`kom hier' of `kom'. (Bas reageert op alle drie.) Zeer belangrijk commando.
Als de hond na dit commando komt, is hij ALTIJD braaf, ook al heeft hij
even daarvoor een eend doodgebeten of een schaap in de sloot gejaagd. Thuis
in de kamer aan te leren, door met een hondebrokje te lokken, het commando
uit te spreken en de hond uitvoerig te belonen als hij komt. Verbindt ook
een karakteristiek fluitsignaal aan het commando. Zorg ervoor dat `hier
komen' ALTIJD leuk is.
Nee. In de
betekenis van `mag niet'. Niet verwarren met `foei', dat slechts wordt
uitgesproken wanneer de hond iets doet wat niet mag. `Nee' heeft altijd
te maken met de plannen van de hond. Als je goed oplet zie je van tevoren
dat je hond iets verbodens gaat doen, bijvoorbeeld een stuk brood voor
de eenden van het gras eten, een straat oversteken of een kat achterna
zitten. Oefen het `nee' uitvoerig en beloon de hond als hij zich nadat
jij `nee' hebt gezegd duidelijk inhoudt.
Place. De hond
moet een rustig plaatsje gaan opzoeken en zich op de achtergrond houden.
Oefen dit commando samen met een handgebaar.
Vooruit. Moeilijk
commando, want de hond moet van je vandaan gaan. Je kunt het oefenen bij
het apporteren (nadat de hond het commando `apport' goed onder de knie
heeft), door wanneer de hond vooruitsnelt `vooruit' te roepen. Een andere
methode is vlak voor het eten de bak met eten klaar te zetten, de hond
op afstand te houden en zodra hij op de bak afrent `vooruit' te roepen.
Uiteraard is de hond `braaf' wanneer hij aan dit commando gevolg geeft.
Zit. Belangrijk
commando, vooral wanneer de hond volwassen is en je in een situatie komt
waarin de hond even absoluut niets mag doen (bijvoorbeeld in aanwezigheid
van mensen die erg bang voor honden zijn). Een van de eerste commando's
die de hond moet leren. Erg gemakkelijk (zie elders in deze gebruiksaanwijzing).
Commando's voor
gevorderden
Wat de hond bovenal
moet hebben is de bereidheid om op commando van het baasje iets voor het
baasje te doen. Dit is eerder een kwestie van persoonlijkheid dan van intelligentie.
Bovendien is het belangrijk dat de hond in staat is om zijn aandacht niet
te laten verslappen en dat hij zich relatief lang op een bepaalde taak
kan concentreren. Dit is noodzakelijk omdat het oefenen van een nieuw commando
soms veel tijd kost; het kan wel even duren voordat een oefening in het
geheugen van de hond zit opgeslagen. Ook moet de hond over doorzettingsvermogen
beschikken en mag hij niet te snel gefrustreerd of verveeld raken. En hij
moet mentaal flexibel zijn. Als de eerste responses op een bepaald commando
niet onmiddellijk worden beloond, moet de hond flexibel genoeg zijn om
een andere strategie te kiezen, in plaats van gewoon de verkeerde respons
te herhalen. In verband hiermee is het even noodzakelijk dat de hond zich
niet te snel laat afleiden. Hij moet zichzelf dusdanig onder controle hebben
dat hij andere behoeften kan onderdrukken. Zeer intelligente mensen beschikken
vrij algemeen over dit concentratievermogen. Ook moet er sprake zijn van
sociale interactie tussen de hond en zijn baasje, dus moet de hond goed
kunnen communiceren. Hij moet doorhebben dat zijn baasje hem iets duidelijk
wil maken en moet reageren op de signalen, geluiden en gebaren die zijn
bedoeld om zijn gedrag te sturen en hem duidelijk maken wanneer hij het
gewenste gedrag vertoont. Het is aangetoond dat enige systematische activiteit
erg nuttig kan zijn bij de verbetering van de geestelijke vermogens van
je hond. Je kunt deze activiteiten eenvoudig uitvoeren tijdens je dagelijks
leven met de hond.
Om te beginnen moet
je tegen de hond praten. Met praten bedoel ik niet de simpele babypraat
die sommige mensen ten opzichte van hun hond uiten (`waar is 'ie dan?'),
maar gewone dingen die betrekking hebben op de hond. Herhaal gewoon de
zinnen die gepaard gaan met activiteiten die de hond aangaan, zoals: `Laten
we naar buiten gaan,' of `Heb je zin om naar buiten te gaan?' voordat je
met de hond gaat wandelen. Voordat je de riem aan de halsband bevestigt
zeg je: `Riem aan,' en voordat je de riem afdoet zeg je: `Riem af.' Voordat
je de trap oploopt zeg je: `Naar boven,' en voordat je de trap weer afloopt
zeg je: `Naar beneden.' Wanneer je wilt dat de hond je naar de keuken volgt
zeg je: `Laten we naar de keuken gaan.' De mogelijkheden zijn eindeloos.
De bedoeling van dit
alles is dat de begrepen taal van de hond wordt uitgebreid, door hem meer
begrippen en signalen aan te leren. Daarom moet je telkens weer dezelfde
woorden gebruiken. Het geeft niet of je, wanneer je de hond te eten geeft,
het woord happen, eten, prak, diner, ontbijt of lunch gebruikt, als je
telkens maar hetzelfde woord gebruikt. Het is ook belangrijk dat een woord
of gebaar maar één betekenis heeft. Wanneer je het woord
zit gebruikt om de hond links naast je te laten zitten, moet je hetzelfde
woord niet gebruiken om de hond met het gezicht naar je toe voor je te
laten zitten. Dat is verwarrend. Het is de bedoeling dat de hond leert
dat bepaalde woorden een specifieke betekenis hebben.
Weldra zal je merken
dat je hond op bepaalde woorden of zinnen gaat reageren. Bij het horen
van `laten we naar buiten gaan' zal de hond naar de deur lopen; bij `riem
aan' zal hij zijn kop voorover buigen zodat je bij de halsband kunt; bij
`ga je mee?' zal hij je verwachtingsvol volgen enzovoort. Elk begrip leidt
tot een reactie van de hond, waaruit zowel blijkt dat hij leert als dat
je het gedrag van de hond meer onder controle hebt.
Een van de beste manieren
om de ervaringen van je hond uit te breiden is door middel van spel. Een
bijkomstigheid: spelen is ook goed voor de mens. Apporteerspelletjes zijn
nuttig en stimulerend. Vergeet niet om woorden als `apport' of `zoek' te
gebruiken wanneer je wilt dat de hond het door jou weggeworpen voorwerp
terugbrengt, en `los' of `vast' wanneer je wilt dat de hond het voorwerp
loslaat of vasthoudt. Het achterna jagen van een balletje is leuk en leert
de hond dat hij aandacht voor jou moet hebben. Zelfs spelletjes die de
hond tot blaffen aanzetten (gebruik bij de zelftraining van het blaffen
het commando `luid') en spelletjes die de hond door het dolle heen maken
(zoals tikkertje) zijn zinvol, want zij stellen je in staat om de hond
de commando's `genoeg' en `nee' aan te leren.
Het is belangrijk
om geen spelletjes met de hond te doen die hem stimuleren om jou aan te
vallen of zijn tanden te gebruiken. Touwtrekken (of aan stokken trekken)
is uit den boze. Dit zijn activiteiten die de dominantie in de hond aanwakkeren
en zullen zijn persoonlijkheid negatief be‹nvloeden. Een goede stelregel
is: speel geen spelletjes met de pup die gedrag uitlokken dat je van een
volwassen hond niet zou accepteren.
De `officiële'
commando's
(Bas kent alleen de
met een asterix (*) gemerkte commando's)
Aan de voet: De hond komt naar mij toe, loopt rechts achter mij langs en gaat links naast mij zitten.
Af: De hond gaat liggen met opgerichte kop.
Apport: De hond zoekt een voorwerp met mijn geur tussen voorwerpen met de geur van andere mensen en haalt het op.
Apport handschoen: De hond haalt een handschoen op die ik onderweg onopvallend heb laten vallen.
Bij mij: Gebruikt tijdens het wandelen. Iets minder vrijblijvend dan `naast' en vrijblijvender dan `voet'. De vrij lopende hond komt links van mij lopen.
*Blijf: De hond blijft op de aangeduide plaats totdat ik hem een ander commando geef.
*Blijf staan: Deze variant op `staan' wordt gebruikt tijdens het toiletteren, wanneer er klitten moeten worden verwijderd, of bij de dierenarts, wanneer deze de hond onderzoekt. De hond blijft stil staan en verroert zich niet, hoe ongemakkelijk de houding ook mag zijn.
*Braaf: Dit is een beloning voor goed gedrag en veroorzaakt doorgaans kwispelstaarten. Idem: `brave hond'.
*Down: De hond gaat plat op de grond liggen.
D'r in: De hond gaat door een open deur of hek, in de door mij aangegeven richting.
D'r uit: De hond verlaat de kamer of de kennel, in de door mij aangegeven richting.
*Een, twee... De hond springt in de bagageruimte van de auto. (Dit commando wordt iets minder enthousiast opgevolgd sinds Bas zijn staart tussen de derde deur heeft gehad.)
*Foei: Dit wordt gebruikt om ontevredenheid uit te drukken, hetgeen doorgaans tot gevolg heeft dat de hond stopt waarmee hij bezig is en mij schuldbewust aankijkt.
Ga terug: De hond loopt in de door mij aangegeven richting.
Genoeg: Het spel is afgelopen. Nu doen we weer gewoon.
*Go: De hond staat niet meer direct onder controle en mag `freewheelen'.
Handdoek: Gebruikt na een wandeling in de regen. De hond blijft binnen voor de keukendeur staan en wacht totdat hij is afgedroogd.
Hoog: De hond springt over het door mij aangeduide object.
Hopla: De hond springt op het aangeduide object.
*Kom: De hond komt naar mij toe.
*Kom hier: De hond komt naar mij toe en gaat voor mij zitten.
*Kusje: De hond geeft mij een lik in mijn gezicht.
*Let op: De hond houdt mij aandachtig in de gaten en wacht op een commando.
*Los: De hond verslapt de greep op het object in zijn bek, zodat ik het eruit kan nemen.
*Naar binnen: De hond gaat naar binnen.
*Naar buiten: De hond gaat naar buiten.
*Naast: Dit gebruik ik tijdens het wandelen en zorgt ervoor dat de hond niet achterblijft of te ver vooruit gaat lopen.
*Nee: De hond blijft stilstaan en ziet van zijn plannen af.
Okay: Dit geeft aan dat de oefening is afgelopen. De hond komt naar mij toe om te worden beloond of geprezen.
*Oogjes: De hond legt zijn kop in mijn linkerhand zodat ik zijn ogen kan reinigen.
*Plaats (place): De hond zoekt een comfortabele plaats om te liggen.
Riem aan: De hond richt zijn kop op zodat ik zijn riem aan de halsband kan bevestigen.
Riem af: De hond buigt zijn kop zodat ik zijn riem af kan doen.
*Rustig: De hond houdt zijn pas in, zodat er geen spanning op de riem staat.
*Schiet op: Dit gebruik ik bij het zindelijk maken van honden. Heeft de hond het eenmaal onder de knie, dan zorgt dit commando ervoor dat de hond bij het uitlaten direct een plek zoekt om te plassen of te poepen.
*Staan (ook `blijf staan'): De hond gaat staan, bijvoorbeeld om te worden gekamd of afgedroogd.
*Stil: De hond stopt met blaffen.
Terug: Wordt alleen in de auto gebruikt, om ervoor te zorgen dat de hond van de voor- naar de achterbank gaat.
Vast: De hond neemt een aangeduid object in de bek en laat het niet los.
Voet: De hond loopt links naast mij, met zijn schouder ter hoogte van mijn knie en niet verder voor- of achteruit.
Volg: Iets vrijblijvender dan `voet'. Meestal gebruikt om de hond duidelijk te maken dat hij wel met mij gaat lopen, maar niet wordt uitgelaten, dus niet plassen en poepen zolang het commando van kracht is.
*Vooruit: De hond rent recht voor mij uit.
*Wie gaat er mee de hond uitlaten?: De hond rent naar de achterdeur en wacht.
Wie wil er wat te eten?: De hond rent naar de keuken en wacht voor zijn bak op eten.
Zachtjes: Gaat meestal gepaard met een handsignaal en zorgt ervoor dat de hond zich stil en rustig houdt.
*Zit: De hond gaat zitten.
*Zoek: De hond volgt een uitgezet spoor.
*Zoek de stok: De hond zoekt zijn stok (d.w.z. de laatst gebruikte stok) op.
*Zoek het balletje: De hond zoekt zijn balletje op.
De door mijn hond begrepen taal omvat ook een fluitsignaal en een aantal gebaren. Veel van deze gebaren kunnen eenvoudig worden vervangen door gesproken woorden, maar er zijn ook gebaren die een belangrijke toelichting op het gesproken woord vormen. Zo is er een gebaar voor `kom hier', zijn er twee gebaren voor `down' en twee voor `zit' (het hangt ervan af of de hond vlak bij is of ver weg), een gebaar voor `voet', één voor `blijf' en één voor `vooruit'. Er zijn twee verschillende gebaren voor `aan de voet' en ook twee voor `staan' (het hangt ervan af of de hond op dat moment staat of zit). Je kunt ook talloze aanwijzingen gebruiken: `naar rechts, naar links, recht vooruit, pak vast, ga naar binnen, ga eruit, hoog, hopla' en `ga terug'. Eén gebaar geeft aan waar het spoor ligt dat de hond na het commando `zoek' moet volgen, en een ander gebaar zorgt ervoor dat de hond na het commando `zachtjes' een denkbeeldige lijn niet overschrijdt.
JACHTHONDEN
Het bondgenootschap
tussen de hond en de mens ontstond toen wij nog voornamelijk van de jacht
leefden. En tijdens die jacht liet de hond zien wat hij op dat gebied allemaal
kon. Na verloop van tijd begon de mens bepaalde eigenschappen te isoleren
en kwam hij erachter dat het mogelijk was om de instinctieve intelligentie
van het dier systematisch te beïnvloeden. De hond wordt bij de jacht
gebruikt voor diverse taken, zoals het opsporen, apporteren, aanwijzen
en opjagen van wild.
De wijze waarop wolven
jagen komt opmerkelijk genoeg zeer overeen met die van de primitieve mens.
De componenten zijn identiek: zoek het wild, laat de anderen weten waar
het zit, omsingel het wild en drijf het eventueel in de richting van een
lid van de groep dat in een hinderlaag verscholen zit. Al deze activiteiten
worden in het wild gecoördineerd door de roedelleider. Bij het domesticeren
van de hond neemt de mens de plaats van de roedelleider in en regisseert
hij de jacht. Wanneer de hond het leiderschap van de mens eenmaal heeft
aanvaard, werkt hij bij de jacht met hem samen. Wij weten dat er in het
Paleolithicum al honden werden gebruikt om het wild op te jagen.
Pointers, spaniëls,
setters en retrievers
De bovengenoemde soorten
zijn de bekendste jachthonden. Elke soort is zorgvuldig gefokt op het verrichten
van specifieke taken. In het Engels worden deze jachthonden `gun dogs'
genoemd, hetgeen een toepasselijke benaming is, want de kwaliteiten van
deze honden zijn geselecteerd om te worden gebruikt bij de jacht met vuurwapens.
Pointers zijn bijvoorbeeld gefokt om hun baas zachtjes naar het
wild te leiden en het aan te wijzen. In het Nederlands worden pointers
ook wel `staande honden' genoemd, vanwege het `voorstaan', dat wil zeggen
de verstijfde houding die de hond aanneemt als hij het wild heeft gevonden.
Pointers of staande honden hebben een uitstekend reukvermogen en gehoor.
Zij kunnen ook heel langzaam en geruisloos sluipen. Zij kruipen zonder
zich te laten horen door het kreupelhout, met opgerichte neus, om de geuren
goed in zich op te kunnen nemen. Wanneer de pointer het wild eenmaal heeft
ontdekt, blijft hij stokstijf staan en kijkt hij in de richting van het
wild, meestal met één opgeheven voorpoot. Soms gebruikt de
jager twee staande honden, als een team. Een hond kan het wild wel aanwijzen,
maar dan weet de jager nog niet op welke afstand het wild zit. Met twee
pointers kan er een soort kruispeiling worden gemaakt, dat wil zeggen dat
het wild op de plaats zit waar de blikken van de honden elkaar kruisen.
Goede pointers kunnen het wild wel een uur of langer blijven aanwijzen,
zonder zich te verroeren.
Er zijn wetenschappers
die zeggen dat het voorstaan van pointers wordt veroorzaakt door een vorm
van `kortsluiting' in het zenuwstelsel, want normaal gesproken zouden ze
het wild moeten bespringen zodra ze het hebben opgespoord. Hetzelfde gedrag
is echter waargenomen bij wolven; een wolf blijft plotseling stilstaan
en wijst op die manier de rest van de roedel aan waar het wild zich bevindt.
Hij wacht totdat de rest van de roedel zich heeft verzameld, maar in tegenstelling
tot staande honden nooit langer dan een minuut.
Hoewel het gedrag
van een staande hond door training kan worden verfijnd en beter beheersbaar
kan worden gemaakt, is de drift om voor te staan aangeboren. Dit kan gemakkelijk
worden aangetoond door een vleugel van een vogel te nemen en deze voor
een pointerpup te laten bungelen. Ik heb Labradorpups van twaalf weken
de typische pointerhouding zien aannemen bij de blootstelling aan dergelijke
stimuli, hoewel zij geen enkele jachttraining hadden gehad en hoewel een
Labrador een retriever is.
De verbetering van
de vuurwapens vereiste een nieuw soort jachthond. Er kon sneller en verder
worden geschoten, en dus waren er snellere en intelligentere honden nodig.
De fokkers kwamen met de setter op de proppen. De term setter is
afkomstig van het woord sitter. De taak van de hond is dat hij gaat zitten
zodra hij het wild heeft ontdekt, en dat hij in de richting van het wild
blijft kijken. Zodra hij daartoe opdracht krijgt benadert hij het wild
met golvende bewegingen, waarbij hij steeds sneller gaat kwispelen, naarmate
hij het wild nadert. De manier waarop hij kwispelt stelt de ervaren jager
in staat om vrij nauwkeurig te bepalen wanneer het gevogelte zal opvliegen.
Het jagen met spaniëls
verloopt minder gedisciplineerd, maar is wel spannender. Spaniëls
zijn uitermate geschikt voor de jacht in het kreupelhout of in moerassige
gebieden. Zij speuren vrij dicht in de buurt van de jager, maar in tegenstelling
tot staande honden en setters wijzen zij het wild niet aan. De moderne
vuurwapens maken deze snellere maar minder voorspelbare vorm van jacht
mogelijk, maar wanneer het de bedoeling is om veel gevogelte mee naar huis
te nemen, wordt er gebruik gemaakt van vangnetten. Spaniëls kunnen
ook worden gebruikt om het wild op te jagen. Dat gebeurde vroeger vaak.
Het gevogelte dat door de hond uit zijn schuilplaats werd verdreven fladderde
op en werd vervolgens gevangen door tamme valken. Hetzelfde gebeurde met
hazen of konijnen, zij het dat er voor de achtervolging en het vangen gebruik
werd gemaakt van Greyhounds.
Aan het eind van de
achttiende eeuw begon men op een andere manier te jagen. De bevolking nam
toe en de jachtgebieden werden aanzienlijk kleiner. Dit leidde tot de ontwikkeling
van een stijl die `drijven' werd genoemd en waarbij een rij jagers naast
elkaar over een veld loopt en op opvliegende fazanten en patrijzen schiet.
Deze manier van jagen vereist een hond die kan zien waar het gevogelte
is neergekomen en die niet hard in de mond is, hetgeen betekent dat hij
het wild op commando onbeschadigd bij de jager brengt. En hoewel men een
pointer, een setter en een spaniël kan leren apporteren, werd er voor
dit werk een nieuw soort hond gefokt: de retriever.
In moerassige of waterrijke
gebieden zijn honden als de Labrador Retriever bijzonder nuttig, want zij
zijn gek op zwemmen. Zij kunnen ook goed worden ingezet wanneer er vanuit
de schuilhut wordt geschoten, waar zij geduldig urenlang wachten en vervolgens
de vogels apporteren die in het water zijn gevallen. De vaardigheid van
de retriever om te bepalen waar een neergeschoten vogel zal terechtkomen
is werkelijk verbazingwekkend. Je hoeft op een zomerdag maar naar een park
te gaan en te kijken hoe een Labrador of Golden Retriever de vluchtlijn
van een bal of frisbee kan bepalen (hetgeen blijkt uit het feit dat hij
het object feilloos vangt), om te geloven dat hij over een soort ingebouwd
radarsysteem beschikt.
Hoewel het apporteren
van wild zonder er zelf van te eten onnatuurlijk lijkt, is ook hier sprake
van een natuurlijke drift. Hetzelfde gedrag wordt ook bij wilde hondachtigen
waargenomen. Wolven nemen soms voedsel mee terug naar hun leger, voor de
zogende teven, de pas gespeende pups en zelfs voor de volwassen reuen die
zijn achtergebleven om de kwetsbare leden van de roedel tegen indringers
te verdedigen.
De meeste jachthonden
kunnen het best worden getraind in gebieden waar niet veel vogels zijn.
Tijdens een gedrag- en gehoorzaamheidscompetitie raakte een fazant op een
of andere manier verzeild in de grote hal waar de wedstrijd werd gehouden.
Het dier moest niet veel van mensen en honden hebben en zocht zijn toevlucht
in de dakspanten, waar hij vrolijk rond stapte. Halverwege een oefening
kreeg een Kortharige Duitse Staander, die tot nu toe heel goed had gepresteerd,
plotseling lucht van het beest.
Onmiddellijk had hij
geen aandacht meer voor zijn begeleider, die over het hond struikelde omdat
die plotseling als versteend bleef staan en naar de fazant staarde. Een
veertje in de wind of een wapperende krant kan al hetzelfde gedrag bij
deze honden veroorzaken. Daarom is het belangrijk ze niet in de buitenlucht
te trainen. Wapperende kledingstukken, zoals sjaals, stropdassen en lange
jassen, dienen ook zo veel mogelijk te worden vermeden. Tijdens een gedrag-
en gehoorzaamheidscompetitie was er eens een jonge Ierse Setter die in
de ring een jagershoedje met een veer voorstond, geheel in trance. De hoed
bevond zich op het hoofd van een van de toeschouwers, die niet wist waar
hij moest kijken.
Nogmaals de intelligentie
De meeste probleemhonden
hebben een hoge intelligentie. Dit komt gedeeltelijk door het feit dat
intelligente honden erg snel in de gaten hebben welk gedrag het meest lonend
is. Met name zeer sociabele honden zijn erg gevoelig voor de aandacht van
de mens, en het probleem is dat wij meer aandacht hebben voor het `slechte'
dan voor het `goede' gedrag van de hond. Afgezien van het feit dat negatieve
aandacht ook aandacht is, hanteren wij het systeem van belonen en straffen
vaak verkeerd.
Wanneer wij een hond
die luid staat te blaffen bijvoorbeeld een koekje geven om hem stil te
krijgen, dan belonen wij zijn blaffen met een koekje. Zodra de intelligente
hond weer zin in een koekje heeft, zal hij dus gaan blaffen. En neem maar
van mij aan dat honden vaak zin in koekjes hebben, en soms op de meest
ongelegen momenten.
De consequenties van
het ongewild aanleren van ongewenst gedrag van honden - dat wil zeggen:
bekrachtiging van de verkeerde respons - zijn niet altijd zo onschuldig
als in het voorbeeld van de koekjes.
Het verhogen van de
activiteit in het gezin leidt eveneens tot meer ervaringen van de hond.
Voor de intelligente hond betekent dit dat hij meer mogelijkheden heeft
om dingen te leren die in het leven van alledag van pas komen, maar hij
kan daardoor ook vreemde of vervelende dingen gaan aanleren. Veel intelligente
honden - met name Duitse Herdershonden en Rottweilers - gebruiken hun uitstekend
ontwikkeld probleemoplossend vermogen om hun eigen gang te kunnen gaan.
Soms zijn ze zelfs zo slim om mislukte pogingen als gedeeltelijk geslaagde
pogingen te interpreteren, waardoor het gedrag wordt voortgezet. De intelligente
hond die per ongeluk aan de muur krabt, waardoor er een stuk sierpleister
loslaat, kan tot de conclusie komen dat hij, wanneer hij maar lang genoeg
doorkrabt, een gat in de muur kan maken waardoor hij kan ontsnappen. Het
resultaat van dit gedrag is vaak een onbeschrijfelijke puinhoop: kapotte
muren, vloeren en kozijnen, om maar te zwijgen van de hoge rekeningen van
jullie Beun de Haas. Het zal duidelijk zijn dat de eigenaars van zo'n hond
niet echt gelukkig met hun huisdier zijn. (Ook hier biedt de bench een
uitkomst!)
Wanneer een hond zich
verveelt, zoekt hij iets waar hij zich mee kan amuseren, zoals het verwijderen
van de vulling uit de zitting van de nieuwe bank. Intelligente honden komen
er al gauw achter dat zij, wanneer hun baas niet aanwezig is, plotseling
niet worden gestraft voor gedrag dat anders zwaar verboden is. Bezitters
van intelligente honden klagen er vaak over dat er niets met hun hond aan
de hand is zolang zij thuis zijn, maar dat de beer los is zodra het baasje
zijn hielen heeft gelicht.
Andersom is het ook
mogelijk om een intelligente hond stapelgek te maken door ondeskundig met
hem om te gaan. In een groot gezin wordt de verantwoordelijkheid voor de
hond vaak gedeeld door kinderen van diverse leeftijden, die allemaal hun
eigen `commando's' gebruiken. Het ene kind staat toe wat het andere verbiedt.
Soms komt het voor dat het ene kind denkt dat het andere kind de hond al
te eten heeft gegeven of uit heeft gelaten, terwijl het andere kind hetzelfde
denkt. Kinderen en jong-volwassenen weten vaak niet hoe zij met honden
moeten omgaan. Een hond die in normale omstandigheden intelligent genoeg
is om te beseffen wat er aan de hand is, kan in dergelijke huishoudens
volledig in de war worden gebracht. Het gevolg is vaak dat de hond in het
asiel belandt, dank zij het inconsequente en ondoordachte gedrag van de
mens.
Samenvattend
Begin op jonge leeftijd
met de training. Je moet zo vroeg mogelijk beginnen met de basiscommando's
(`kom hier', `zit', `down', `naast', `blijf staan' en `blijf', dat wil
zeggen zodra de pup bij je in huis komt en zeker voordat hij een half jaar
oud is. Bij sommige rassen is een hond van een jaar of ouder zijn flexibiliteit
om te leren al kwijt en is hij te zeer aan zijn dagelijks leven gewend
geraakt om er nog iets aan te willen veranderen. Een andere reden om vroeg
met de training te beginnen is dat pups veel gemakkelijker en met veel
minder harde maatregelen te corrigeren zijn. Begin met de commando's `kom',
`down' en `blijf'.
Wees consequent.
Je kunt niet consequent genoeg zijn. Gebruik altijd dezelfde commando's
en zo mogelijk zelfs dezelfde toonhoogte. Ook is het goed om de hond altijd
op hetzelfde tijdstip en in dezelfde omgeving te trainen, zeker totdat
de hond alle commando's onder de knie heeft. Honden houden van voorspelbaarheid.
De hond gedijt het best in een gezin waar alle gebeurtenissen volgens een
vast patroon plaatsvinden en waar sprake is van regelmaat. Regelmaat en
consequentie is niet alleen goed voor de niet-zo-intelligente hond, maar
ook voor de hond die onzeker en te onderworpen is.
Wees duidelijk.
Noem de naam van de hond voordat je hem een commando geeft. Op deze manier
leert de hond dat hij op jou moet letten en dat er iets wordt gezegd dat
hem aangaat. Gebruik zowel een verbaal commando als een gebaar, zodat de
hond meer kans heeft om te begrijpen wat je bedoelt.
Begin rustig.
Begin de training in een rustige omgeving waar de hond zo weinig mogelijk
wordt afgeleid, zodat hij zich beter op jou kan concentreren. Dat kan gerust
in de huiskamer zijn. Later, wanneer de hond de basiscommando's beheerst,
kun je desnoods in een wat drukkere omgeving trainen.
Blijf dicht bij
de hond. Zeker in het begin is het belangrijk dat je zo dicht mogelijk
in de buurt van de hond blijft, zodat je hem onmiddellijk kunt corrigeren.
Houd hem gedurende de training aan de lijn (eventueel aan de lange lijn),
zelfs nadat hij de basiscommando's heeft geleerd, zodat je rechtstreeks
met hem in contact staat en zonodig direct kunt ingrijpen. Later kun je
de afstand vergroten en uiteindelijk kun je de lijn afdoen.
Houd de trainingsduur
kort. Je hond reageert beter op meerdere kortdurende trainingen met
af en toe een pauze, dan op één lange training. Sommige actieve
soorten, zoals de hounds, werken ook beter wanneer zij eerst een flink
stuk hebben gerend.
Wees geduldig.
Geduld is een schone zaak, vooral bij de niet-zo-slimme hond. Ik weet
het, het is moeilijk om je geduld te bewaren wanneer je buurvrouw haar
bastaardpoedeltje uit het asiel maar saai vindt omdat hij alles doet wat
zij zegt, terwijl jij nog steeds vol spanning wacht op het moment dat jouw
dure Labrador Retriever met stamboom er blijk van geeft enige aanwezigheid
van intelligentie en besef van je bedoelingen te hebben, maar bedenk: oefening
baart kunst, en door maar genoeg te trainen en genoeg geduld te tonen zal
de hond uiteindelijk betere prestaties kunnen verrichten dan - bijvoorbeeld
- de hond van je buurvrouw. Raak niet gefrustreerd als jouw hond niet onmiddellijk
op de juiste wijze reageert. Hondentrainers zeggen vaak: `Als je een hond
zenuwachtig wilt maken, moet je zijn baas onder druk zetten.' Wanneer de
begeleider nerveus wordt zal de hond dit bespeuren en kan hij zich niet
meer op de les concentreren.
Herhalingsoefeningen.
Het kan zijn dat je de commando's die jullie hond heeft geleerd zijn
hele leven lang van tijd tot tijd moet herhalen, zeker wanneer je de commando's
niet zo vaak gebruikt. Dit hoeven geen echte trainingen te zijn. Het gaat
erom het geheugen van de hond op te frissen. Beloon en prijs de hond uitbundig
als hij het goed doet, maar pak hem rustig doch stevig aan wanneer hij
er niets van bakt.
Houd de herhalingsoefeningen
zo kort mogelijk en concentreer je op de commando's die je niet zo vaak
gebruikt. Laat de hond telkens merken dat hij wordt beloond wanneer hij
goed functioneert, zodat hij met plezier voor je blijft werken.
Wees flexibel.
Houd
rekening met de beperkingen van je hond. Een Labrador Retriever zal nooit
zo'n goede verdedigingshond worden als een Duitse Herder, niet omdat hij
niet weet wat hij moet doen of omdat hij niet wil, maar omdat door de eeuwen
heen zijn jachtdrift sterker is ontwikkeld dan zijn verdedigingsdrift.
Wees onvermurwbaar.
Een van de grootste problemen bij het opvoeden van honden is dat zij zo
schattig kunnen zijn. Het is moeilijk om je goed te houden bij een puppy
wanneer die je meelijwekkend en hulpeloos aan zit te kijken, zeker wanneer
je huisgenoten vol onterecht medelijden `och' en `ach' roepen. Toch moet
elk commando worden bekrachtigd, met name in het beginstadium van de training.
Wanneer de hond niet reageert op een commando dat hij al kent, moet je
ervoor zorgen dat hij dit wel doet. Je moet krachtig corrigeren. Vaak is
de stem al voldoende, maar wanneer dit niet het geval is moet je fysieke
druk uitoefenen om de hond te laten doen wat je hem hebt opgedragen. Wees
vooral niet ruw of agressief, maar zorg ervoor dat de hond uiteindelijk
toch doet wat je hem hebt gevraagd. De hond moet goed weten dat hij onder
appèl staat zolang hij het commando nog niet naar behoren heeft
afgewerkt.
Zorg ervoor dat
gehoorzamen lonend is. Op welke wijze de hond het commando ook opvolgt
- of dat geheel uit zichzelf is of met behulp van veel duw- en trekwerk
van jouw kant - je moet hem altijd prijzen. De hond heeft tenslotte gedaan
wat jij van hem verlangde, ook al was dat niet helemaal (of helemaal niet)
vrijwillig. Zelfs wanneer de hond alle commando's kent en er betrouwbaar
op reageert, moet je hem zeer regelmatig blijven prijzen, zodat hij het
leuk blijft vinden.
Prijs je hond uitbundig
en overdreven. Wellicht denk je dat het onecht overkomt en idioot klinkt
wanneer jij in extase kraait: `Wat een grote jongen!' terwijl je de hond
over de kop aait, maar je hond vindt het hemels. Bij de moeilijker rassen
werkt een lekker hapje meestal het best. Zorg ervoor dat je tijdens de
training altijd wat hondebrokjes bij je hebt.
Beheers je emoties.
Honden zijn zich bewust van de emotionele toestand van hun baas of bazin.
Daarom moet je in bijzijn van de hond altijd proberen je emoties de baas
te blijven. Richt je agressie nooit rechtstreeks tegen de hond. Hij herkent
deze emotie en kan reageren met een agressieve-defensieve respons. Zelfs
wanneer hij dit niet doet, zal hij zich jouw uitbarsting blijven herinneren,
hetgeen de emotionele band tussen de hond en jou kan aantasten. Het zal
ook duidelijk zijn dat je de hond bij het corrigeren nooit pijn mag doen.
Zorg er ook voor dat dit niet per ongeluk kan gebeuren.
Laat de hond nooit
merken dat je bang (voor hem) bent. De hond kan angst gemakkelijk opvatten
als agressie, en hij is groot en slim genoeg om te weten hoe hij zich moet
verdedigen. Hij zal koppig en onmeegaand worden en mogelijk zelfs zo dominant
dat hij je leiderschap niet langer accepteert. Zelfs als wordt je een beetje
zenuwachtig van het trainen van een grote hond, zorg er altijd voor dat
je commando's worden bekrachtigd, want anders neemt de hond (soms letterlijk)
een loopje met je. Wees consequent, wat er ook gebeurt, en laat hem `down'
liggen, ten teken dat hij zich aan jou moet onderwerpen. E‚n emotie die
je nooit hoeft te beheersen is vreugde of geluk. Toon dit wanneer je de
hond prijst. De meeste honden reageren er uitstekend op.
Wees er zeker van
dat je hond de commando's goed beheerst alvorens je corrigeert, en ga er
niet zonder meer van uit dat dit zo is, `omdat het een intelligente hond
is'. Wanneer je een slimme hond te veel onder druk zet, kan je veel schade
aanrichten en zal zijn motivatie om te leren afnemen.
Zorg ervoor dat
je de hond niet overtraint. Een hond kan heel wat leren en moet ook
zo veel mogelijk leren, maar je moet het overtrainen van welk commando
dan ook zien te voorkomen. Door een commando dat de hond goed onder de
knie heeft eindeloos te herhalen, gaat hij zich vervelen en wordt hij onoplettend.
Er kunnen rustig dagen, weken of in een later stadium zelfs maanden voorbij
gaan waarin je de goed geleerde commando's niet oefent. In die periode
kun je je rustig op de nieuwe leerstof concentreren, maar nu even zonder
de oude stof te repeteren.
Zorg dat je hond
gemotiveerd blijft. Een slimme hond die zijn basiscommando's kent is
een lust voor het oog en prettig gezelschap, maar hij heeft wel geestelijke
stimulering nodig. Het trainen van de hond voorziet gedeeltelijk in deze
behoefte, maar er moeten ook andere vormen van afleiding zijn. Lichaamsbeweging,
wandelingen in onbekende gebieden waar hij nog wat kan ontdekken, contact
met andere mensen of gewoon winkelen kunnen ervoor zorgen dat hij geestelijk
op peil blijft en niet inzakt. Wanneer je een slimme hond hebt die gedragsproblemen
gaat vertonen, vraag je dan eerst af of de hond zich misschien verveelt.
Het kan zijn dat hij vreet, knauwt, bijt en knaagt omdat hij het huis uit
wil en deze activiteiten altijd nog beter zijn dan de hele dag suf in de
mand liggen.
Verschillende trainingsmethoden
Er zijn nogal wat
methoden om de hond te trainen, en dagelijks komen er nieuwe methoden bij.
Martin Gaus is een van de velen die zich met deze ontwikkelingen bezighouden.
Ik mag dan wellicht wat ouderwets zijn, maar ik heb zeer goede ervaringen
met de hierboven omschreven beproefde methoden. Mijn honden werken graag
voor mij, luisteren goed, vertonen opgewekt gedrag tijdens de trainingen
en leren snel. Misschien komt dit ook omdat de Labrador een bovengemiddeld
intelligente hond is. Ik heb dus geen enkele reden om met clickers of iets
dergelijks te gaan werken, noch zie ik de noodzaak om mijn `Braaf!' plotseling
te veranderen in `YES!!!'
Het staat jullie uiteraard
vrij de methode te gebruiken waar jullie en de hond zich het meest prettig
bij voelen. Eén advies: hou het bij één methode en
laat je niet meeslepen in allerlei experimenten, want daar raakt de hond
compleet van in de war.
Ouderdom
Een methode om de
kwalijke gevolgen van de ouderdom te beperken is vroegtijdig beginnen met
trainen. Net als bij de mens blijven bij de hond de herinneringen uit de
vroegste jeugd het langst hangen. Hij begint op een gegeven moment ook
weer wat puppy-achtig gedrag te vertonen. De hond die de basiscommando's
vroegtijdig heeft geleerd zal naarmate de leeftijd vordert wat langzamer
gaan reageren, maar hij zal blijven gehoorzamen.





