
| Heupdysplasie, beter
bekend als HD, is gedeeltelijk een erfelijke aandoening. Uit de vele onderzoeken
naar deze afwijking blijkt dat uitwendige invloeden zoals groeisnelheid,
lichaamsgewicht, beweging, spierontwikkeling en voeding hierbij eveneens
een belangrijke rol spelen, zeker gedurende de eerste levensmaanden van
de Labrador. Overmatige lichaamsbeweging en toediening van extra kalk aan
honden die compleet hondenvoer krijgen, hebben een negatief effect op de
ontwikkeling van HD. Bovenstaande
geldt ook voor elleboogdysplasie (ED).
HD is ongeneeslijk, en kan al in een zeer vroeg stadium worden waargenomen, alleen in Nederland schijnt dit een probleem te zijn. De symptomen hangen af van de ernst van de afwijking , maar kunnen in bepaalde situaties goed worden waargenomen: 1) Beide achterpoten
tegelijk gebruiken om zich snel voor te bewegen , om zijn gewicht naar
de voorpoten te verplaatsen.
Bij dergelijke symtonen kan de dierenarts d.m.v. een röntgenfoto zien of er inderdaad sprake is van HD, en wordt met name gelet op de vorm van de heupkommen en de heupkoppen, de diepte van de heupkommen, de aansluiting van de heupkoppen in de kommen en aan de aanwezigheid van botwoekeringen langs de randen van de heupgewrichten. Juist bij het fokken
van rashonden is het van groot belang om te achterhalen of er aanleg voor
HD aanwezig is of niet. De diergeneeskundigen hebben echter ook een bepaalde
mate van verantwoordelijkheid, want HD is een van de meest overgediagnosticeerde
en verkeerd gediagnosticeerde aandoeningen.
Om nu de erfelijkheid
van HD in kaart te brengen en te onderzoeken is er door de Raad van Beheer
op Kynologisch Gebied in Nederland een organisatie benoemd welke onderzoek
doet naar de erfelijkheid en aanwezigheid van HD.
Het panel geeft een definitieve beoordeling af, welke de mate van HD aangeeft.
HD - (= negatief) Röntgenologisch vrij van heupdysplasie
De uitslag geeft echter alleen uitsluitsel over de aanwezigheid van HD bij de hond , maar geeft niet aan of de hond drager is van de afwijking. En dat is nu het punt
wat zeer belangrijk is: de erfelijkheid van HD moet in de generaties daarvoor
worden bekeken. Een HD vrije hond ( negatief) gekruist met een HD vrije
hond (negatief) geeft dus zeker niet de garantie dat de pups ook
HD vrij zijn.
De Nederlandse Labrador
Vereniging schrijft regels voor waaraan de fokker moet voldoen wil hij
de pups verkopen onder de voorwaarden van de Nederlandse Labrador Vereniging.
Het is wenselijk uitsluitend met HD-vrije honden te fokken, omdat dan de kans op HD bij de nakomelingen het kleinst is. Bij de rassen waarvan maar weinig honden beschikbaar zijn en bij rassen waarin HD vaak voorkomt is dit helaas niet altijd mogelijk. Naast de HD beoordeling wordt er ook een Norbergwaarde genoemd in de beoordeling. Deze waarde geeft de diepte en aansluiting van het gewricht aan. De Norbergwaarde van de linker- en rechterheup worden bij elkaar opgeteld en geven de "Som Norbergwaarden". Bij een normaal heupgewricht is de Norbergwaarde minstens 15, de som dus derhalve 30. Honden met een lage Norbergwaarde hebben dus ondiepe heupkommen en/of een slechte aansluiting van de gewrichtsdelen. Deze zullen een minder gunstige HD-beoordeling krijgen. Een normale of zelfs hoge Norbergwaarde betekent niet automatisch dat de hond goede heupgewrichten heeft. Diepe heupkommen maar een niet overal even brede gewrichtsspleet of onvoldoende aansluiting kan, zelfs bij een hoge Norbergwaarde, leiden tot een (licht) positieve beoordeling. Om de hond te kunnen
laten röntgenen dient deze de leeftijd van minimaal 12 maanden te
hebben.
De uitslag van het
HD-onderzoek zegt ook lang niet altijd iets over de mate van erfelijkheid.
Bijvoorbeeld: een pup wordt zodanig opgevoed dat alles wordt gedaan om
een positieve HD-uitslag te voorkomen. De voeding is perfect, de lichaamsbeweging
verloopt precies volgens het boekje, enzovoort. Als de hond een jaar oud
is worden er foto's genomen. Uitslag: HD-TC. Prima dus. Met die hond kun
je rustig fokken.
Uiteraard is de kans
om een hond te krijgen die al op jonge leeftijd ernstig HD heeft groter
bij een ouderpaar dat allebei HD+ is bevonden dan bij een ouderpaar bij
wie de uitslag in beide gevallen op enig moment HD- was. De vraag is echter:
hoeveel groter is die kans? 50%? 25%? 10% 5%? De geleerden weten het niet,
zijn het er althans niet met elkaar over eens.
De uitslagen van het HD onderzoek van de Labrador worden doorgestuurd naar de Nederlandse Labrador Vereniging welke op zijn beurt deze uitslagen publiceert in de Labrador Post. Het is uiteraard aan te bevelen alleen met HD-vrije honden te fokken, omdat dan de kans op HD bij de nakomelingen (pups) het kleinst is, maar:
Door de invloed van uitwendige factoren op het ontstaan van HD is de mate van verandering aan de heupgewrichten niet altijd een goede maat voor de erfelijke status van de hond voor wat betreft HD. Zelfs wanneer een hond vrij is van HD wil dat nog niet zeggen dat de hond geen erfelijke factoren in zich kan hebben en kan door geven aan zijn of haar nageslacht. Dit wetende kan men dan ook niet zonder meer in alle gevallen de fokker aansprakelijk stellen wanneer een gekochte pup later HD blijkt te hebben. Men mag echter wel van de fokker verwachten dat hij alles zal doen wat in zijn vermogen ligt om erfelijke stoornissen bij de hond, dus ook erfelijke heupdysplasie, zoveel mogelijk te voorkomen. Per ras zullen de fokkers dan ook gezamenlijk (binnen of buiten de rasvereniging, maar in elk geval gezamenlijk) moeten vaststellen welke foktechnische maatregelen binnen hun ras mogelijk zijn met betrekking tot de bestrijding van HD. In België
is het verplicht een HD-onderzoek te laten uitvoeren wanneer met met zijn
reu of teef wil fokken. Doet men dit niet, dan zal men voor de pups geen
stamboom kunnen krijgen, ook al hebben de ouderdieren er wel één.
PreventieIs HD te voorkomen?Een afdoende behandeling voor HD bestaat niet. Daarom moet getracht worden de ontwikkeling van HD zoveel mogelijk te voorkomen. Dat kan
VoedingTijdens de groei van het bot wordt steeds kraakbeen omgezet in bot: zowel in de groeischijf als bij de uiteinden van alle botten. Verbening van het kraakbeen kan verstoord worden door voedingsfouten.Met name teveel energie, teveel Calcium (kalk), een foutieve Calcium/Fosfor-verhouding en te veel of te weinig vitamine D kunnen deze verbening met grote gevolgen verstoren. Bekend is dat honden die "verkeerd" gevoed worden beduidend meer lijden aan onder andere HD. Een hond die een "complete voeding" krijgt heeft geen behoefte meer aan extra vitaminen en mineralen. Vooral extra kalk en Vitamine D hebben juist een averechts effect op de skelet- en gewrichtsontwikkeling. Dit geldt echter niet voor vitamine C. "Compleet" voer moet, wettelijk verplicht, de juiste hoeveelheden en verhoudingen van o.a. Calcium, Fosfor en Vitamine D bevatten. Zie ook het artikel over vitamine C. Te hard groeien en overgewicht beïnvloeden beiden het optreden van HD ten nadele. Als vuistregel doet men er goed aan de aanwijzingen van de voerfabrikant omtrent de te verstrekken hoeveelheid voer op te volgen. BewegingTijdens de groei van de hond is voldoende en gedoseerde beweging noodzakelijk om de weke delen goed te laten ontwikkelen.Met name "rechtlijnige beweging" is voor de ontwikkeling van de bekkenspieren belangrijk; dus met name in rechte lijn wandelen, naast de fiets lopen in een rustige draf of zwemmen zijn erg geschikte bewegingsvormen. Meerdere malen per dag een kwartier is een goede richtlijn. Over het fietsen met de hond is nogal wat discussie; vele onderzoekers menen dat dit een geschikte bewegingsvorm voor jonge honden is, mits men zich aan enkele regels houdt. De hond moet minimaal 5 à 6 maanden oud zijn. Onder fietsen wordt verstaan een (sukkel)drafje. De lengte van de fietstocht hangt met name van de jonge hond af; de hond mag wel moe, maar niet oververmoeid raken. Een jonge hond geeft meestal zelf aan hoelang, maar overdrijf met name de eerste maanden niet. Ongeschikte bewegingsvormen zijn korte draaibewegingen; dus de opgroeiende jonge hond niet overdreven achter balletjes of stokken aan laten rennen, traplopen of veelvuldig (op) springen zijn helemaal uit den boze. De hond heeft HDWanneer de hond geen klachten vertoont is behandeling niet nodig en gelukkig kunnen veel honden ondanks hun HD prima als huishond functioneren. De kans op problemen blijft echter bestaan en zal toenemen naarmate meer van de hond wordt geëist (zoals bijvoorbeeld bij africhting) en naarmate de hond ouder wordt.HD is niet te genezen, maar in veel gevallen wel te behandelen. Misvormingen van de heupgewrichten kunnen, eenmaal aanwezig, niet meer ongedaan worden gemaakt. Een behandeling zal dan ook vooral gericht zijn op de revalidatie van de afwijkende heupgewrichten:
Nog eenmaal de `uitslagen' van de afdeling GGW van de Raad van Beheer: HD - (= negatief) Röntgenologisch vrij van heupdysplasie. Betekent dit dat uw hond vrij is van erfelijke heupdysplasie? Nee. Wanneer u uw hond op tweejarige leeftijd laat onderzoeken en op vierjarige leeftijd nog eens, en de hond is nog steeds HD-, dan kunt u er vrij zeker van zijn dat uw hond fenotypisch vrij is van erfelijke heupdysplasie, maar dit zegt nog steeds niets over het genotype van de hond. Ook deze hond kan zeer goed drager van heupdysplasie zijn, dus de aandoening overdragen op zijn/haar nakomelingen. HD Tc (= overgangsvorm) Röntgenologisch geringe afwijkingen. Deze uitslag komt het meest voor bij honden van leden van de Nederlandse Labrador Vereniging. Met deze honden wordt naar hartelust zonder enig bezwaar gefokt. HD ± (= licht positief) Röntgenologisch afwijkingen aanwezig. HD + (= positief) Röntgenologisch duidelijke afwijkingen aanwezig. HD ++ (= positief in optima forma) Röntgenologisch ernstig misvormd. De mate van erfelijkheid
van een afwijking meten door middel van röntgenfoto's.
Willem Geert Ubbink, destijds in deeltijd werkzaam bij de W.K. Hirschfeldstichting: `Je kunt een dier niet keuren op de kans dat hij mogelijk op vijfjarige leeftijd een bepaalde afwijking ontwikkelt. Het feit dat een dier een afwijking heeft, is niet onder de tafel te schuiven, alleen je kunt niet vooraf zeggen dit pupje is goed, want hij zal die afwijking niet krijgen. Zolang wij niet in staat zijn op DNA-niveau de kansen te bepalen, zul je dmv beschrijvend onderzoek achteraf moeten vaststellen dat een groot aantal dieren van een bepaald vaderdier de ziekte heeft ontwikkeld, stel een tumor, en zul je moeten terugrekenen in de zin van waarschijnlijk heeft hij iets mee te maken gehad met de vererving. Dat moet je hard maken en dan zul je moeten proberen om de genetische invloed van het vaderdier, dat zelf mogelijk allang dood is, relatief gezien terug te dringen door ook minder direkte nakomelingen van dit dier in de fokkerij in te zetten.' Dus: zolang men niet in staat is op DNA-niveau de kansen te bepalen, kan men niet zeggen `dit pupje is goed'. Ik kan mij volledig vinden in hetgeen Ubbink beweert, maar ik blijf het vreemd - en medisch gezien onjuist - vinden dat de mate van vastgestelde heupdysplasie wordt gekoppeld aan de mate van erfelijkheid van heupdysplasie. En vooral dat de ogenschijnlijke afwezigheid van heupdysplasie op eenjarige of anderhalfjarige leeftijd - zeker door de leek op dit gebied - ten onrechte wordt gekoppeld aan het genetisch vrij zijn van heupdysplasie. De verwarring is groot en kan alleen maar groter worden. HD- op de stamboom
zegt dus niets, net zomin als HD+ iets zegt over de mate van erfelijkheid.
Dat schept verwarring, dat leidt tot verwachtingen die niet waar gemaakt
kunnen worden.Waarom dan toch doorgaan met het vermelden van deze gegevens
op de stamboom? En als men die gegevens zonodig moet vermelden, waarom
vermeldt men dan niet expliciet bij alle uitslagen (dus
ook bij HD-) dat de mate van erfelijkheid niet kan
worden vastgesteld? Wacht tot het mogelijk is door middel van DNA onderzoek
te bepalen in welke mate bepaalde afwijkingen erfelijk zijn en hoe groot
de waarschijnlijkheid is dat een dier deze afwijking zal ontwikkelen, en
in welke mate. Zo'n onderzoek kan al gedaan worden wanneer een pup een
dag oud is. De uitslag kan na een week bekend zijn. (Bij gebruik van het
DNA-stripje zelfs binnen enkele seconden!) Op basis van deze uitslag kan
de fokker bepalen welke dieren uit het nest verwijderd moeten worden. Zo
nodig kan men hieromtrent richtlijnen opstellen. Alvorens een pup het nest
verlaat verkrijgt hij een certificaat, dat wordt overhandigd aan de nieuwe
eigenaar. De fokker is daarmee gevrijwaard van enige aansprakelijkheid
wat betreft erfelijke aandoeningen, terwijl de nieuwe eigenaar exact weet
waar hij in de toekomst rekening mee moet houden.
De Raad van Beheer
op Kynologisch Gebied in Nederland is voornemens een `stamboom- plus' in
te voeren voor honden van fokkers die zich aan de gestelde normen houden.
Dat kan goed werken wanneer een bepaald ras niet erg in trek is en de aspirant-koper
kan kiezen tussen een hond met `stamboom-plus' en een hond met een gewone
stamboom. Maar bij een ras als de Labrador Retriever, waarbij de vraag
aanmerkelijk groter is dan het aanbod, zeker wat honden met stamboom betreft,
zullen er zeker fokkers zijn die bepaalde economische principes niet uit
het oog verliezen en een economische afweging zullen maken. (Wat levert
mij per saldo meer op: een pup met een gewone stamboom of een pup met stamboom-plus?)
Dezelfde afweging die thans wordt gemaakt m.b.t. het lidmaatschap van de
NLV (wat levert meer op, voldoen aan de eisen van de NLV, of niet voldoen
aan de eisen van de NLV?). In de praktijk blijkt dat het lidmaatschap van
de NLV geen enkele economische meerwaarde heeft. Een pup met stamboom van
een NLV-lid is gemiddeld even duur als een pup met stamboom van iemand
die geen lid is van de NLV.
Nee, op deze manier komen wij er niet. Op deze manier creëren wij een bepaalde elite in de kynologische wereld en laten wij de wildgroei welig tieren, waardoor wij ons doel voorbij schieten. Ik beperk mij nu even tot de Labrador Retriever: waarom spelen de Raad van Beheer en de NLV geen open kaart? Waarom geven zij niet toe dat zij op dit moment bij geen enkele Labrador pup de garantie kunnen geven dat deze pup genetisch vrij is van heupdysplasie en elleboogdysplasie? Waarom geven zij niet toe dat zij eerst moeten wachten op de perfectionering van het DNA-onderzoek alvorens zij met zekerheid iets over de mate van erfelijkheid van deze aandoeningen kunnen zeggen? Laten we wel zijn:
heupdysplasie is geen AIDS. Van alle Labrador Retrievers bij wie heupdysplasie
is geconstateerd, heeft slechts een enkeling de aandoening dusdanig ontwikkeld
dat het leven van hond en eigenaar er drastisch door wordt beïnvloed.
Dat is uiteraard heel erg, zeker voor de hond en de eigenaar, maar ook
voor de fokker. Wanneer de fokker, maar vooral de eigenaar, er alles aan
hebben gedaan om fenotypische ontwikkeling van de heupdysplasie
te voorkomen dan wel te beperken en men met enige zekerheid kan stellen
dat deze ernstige mate van heupdysplasie erfelijk bepaald is, dan moet
de fokker daaruit zijn conclusies trekken en niet meer met het betreffende
ouderdier fokken.
Juridische
aansprakelijkheid van de fokker
Dan is er de `deskundigheid'
of liever gezegd het gebrek daaraan van de afdeling GGW van de Raad van
Beheer. Een hond die ouder is dan vijf jaar kan HD+ worden bevonden. Maar
GGW is niet afdoende in staat onderscheid te maken tussen erfelijke heupdysplasie
en niet-erfelijke ouderdomsarthrose. Het predikaat HD+ kan dus volkomen
onterecht zijn gegeven. Een fokker die zijn hond kent en weet dat de hond
nooit last van zijn heupen heeft gehad, kan besluiten deze hond te laten
dekken, ondanks het oordeel van GGW. Het is dan aan GGW om aan te tonen
dat men wel degelijk in alle gevallen onderscheid kan aantonen tussen HD
en ouderdomsarthrose. Alleen kan de afdeling GGW van de Raad dat (nog)
niet.
Nieuwe ontwikkelingen
Zie voor uitgebreide medische informatie en röntgenfoto's het onthullende Engelstalige artikel Hip Dysplasia (CHD). |

