View My Stats
.
.

Heupdysplasie

 
Heupdysplasie, beter bekend als HD, is gedeeltelijk een erfelijke aandoening. Uit de vele onderzoeken naar deze afwijking blijkt dat uitwendige invloeden zoals groeisnelheid, lichaamsgewicht, beweging, spierontwikkeling en voeding hierbij eveneens een belangrijke rol spelen, zeker gedurende de eerste levensmaanden van de Labrador. Overmatige lichaamsbeweging en toediening van extra kalk aan honden die compleet hondenvoer krijgen, hebben een negatief effect op de ontwikkeling van HD. Bovenstaande geldt ook voor elleboogdysplasie (ED). 
HD is ongeneeslijk, en kan al in een zeer vroeg stadium worden waargenomen, alleen in Nederland schijnt dit een probleem te zijn. 
De symptomen hangen af van de ernst van de afwijking , maar kunnen in bepaalde situaties goed worden waargenomen: 

1) Beide achterpoten tegelijk gebruiken om zich snel voor te bewegen , om zijn gewicht naar de voorpoten te verplaatsen. 
2) Stijf opstaan na een rustperiode. 
3) Zeer snel uitgeput na een normale wandeling. 
4) Een achterpoot niet gebruiken. 
5) Een gang welke duidelijk afzwaait. 
6) Moeilijkheden met traplopen. 
7) Koehakkigheid (hakken worden naar binnen gedraaid) 

Bij dergelijke symtonen kan de dierenarts d.m.v. een röntgenfoto zien of er inderdaad sprake is van HD, en wordt  met name gelet op de vorm van de heupkommen en de heupkoppen, de diepte van de heupkommen, de aansluiting van de heupkoppen in de kommen en aan de aanwezigheid van botwoekeringen langs de randen van de heupgewrichten. 

Juist bij het fokken van rashonden is het van groot belang om te achterhalen of er aanleg voor HD aanwezig is of niet. De diergeneeskundigen hebben echter ook een bepaalde mate van verantwoordelijkheid, want HD is een van de meest overgediagnosticeerde en verkeerd gediagnosticeerde aandoeningen. 
Uit wetenschappelijk onderzoek is gebleken dat HD voor 20 tot 30% erfelijk bepaald is. Dit houdt in dat HD voor 70 tot 80% niet erfelijk bepaald is, dus wordt bepaald door omgevingsfactoren. 
Als een fokker moet kiezen tussen een hond die HD-min is bevonden, maar waarvan de ouders, broertjes en zusjes HD-plus zijn bevonden, en een hond die HD-plus is bevonden, maar wel HD-vrije ouders, broertjes en zusjes heeft, zal hij ongetwijfeld voor de laatste hond kiezen. Je kunt dan immers met vrij veel zekerheid zeggen dat de mate van HD niet erfelijk is bepaald, maar is veroorzaakt door omgevingsfactoren. 
Een ervaren dierenarts kan al bij een pup van vijf à acht weken voelen of de heupen stabiel zijn. Met behulp van Barden's palpatietechniek kan men voelen of de heupkop al dan niet "vast" in de heupkom zit. Met enige zekerheid kan dan al voorspeld worden of de heupgewrichten zich "normaal" zullen ontwikkelen. Veel Nederlandse dierenartsen beheersen deze techniek echter niet of onvoldoende. En door middel van een MRI-scan kan al bij een pup van 16 weken HD worden geconstateerd. Maar ook dat gebeurt in Nederland niet. 
. 
Bij de ideale situatie is de gewrichtskop van het dijbeen 100 % aangesloten in de gewrichtskom. De kop is volledig opgesloten en vertoont geen enkele ruimte. 
Maar helaas komt deze situatie in de praktijk maar zelden voor. 

Om nu de erfelijkheid van HD in kaart te brengen en te onderzoeken is er door de Raad van Beheer op Kynologisch Gebied in Nederland een organisatie benoemd welke onderzoek doet naar de erfelijkheid en aanwezigheid van HD. 
Deze organisatie, de voormalige W.K.Hirschfeld Stichting, thans de afdeling GGW van de Raad van Beheer, heeft onder meer als taak de beoordeling van röntgenfoto's op HD die aan een speciaal HD-panel worden voorgelegd. Dit panel bestaat uit veterinaire specialisten. Zij maken een rapport met de definitieve HD-beoordeling volgens de F.C.I. (Federation Cynologique International). Deze F.C.I. beoordeling is een vertaling van de HD-beoordeling naar een internationaal geldende code, waardoor het mogelijk is de HD-uitslagen uit de betreffende landen te vergelijken. 

Het panel geeft een definitieve beoordeling af, welke de mate van HD aangeeft. 

                 HD -  (= negatief) Röntgenologisch vrij van heupdysplasie 
                 HD Tc (= overgangsvorm) Röntgenologisch geringe afwijkingen 
                 HD ±   (= licht positief) Röntgenologisch afwijkingen aanwezig 
                 HD +   (= positief) Röntgenologisch duidelijke afwijkingen aanwezig 
                 HD ++ (= positief in optima forma)  Röntgenologisch ernstig misvormd. 

De uitslag geeft echter alleen uitsluitsel over de aanwezigheid van HD bij de hond , maar geeft niet aan of de hond drager is van de afwijking. 

En dat is nu het punt wat zeer belangrijk is: de erfelijkheid van HD moet in de generaties daarvoor worden bekeken. Een HD vrije hond ( negatief) gekruist met een HD vrije hond (negatief) geeft dus zeker niet de garantie dat de pups ook HD vrij zijn. 
We zullen hier niet te diep op deze materie ingaan , maar het kan ook anderom gebeuren. 
2 x HD ++ kan een negatieve hond geven, maar deze is dan  zeker drager van een HD erfelijke afwijking. 

De Nederlandse Labrador Vereniging schrijft regels voor waaraan de fokker moet voldoen wil hij de pups verkopen onder de voorwaarden van de Nederlandse Labrador Vereniging. 
De voormalige WK Hirschfeld Stichting schreef  het volgende over fokken en HD: 

Het is wenselijk uitsluitend met HD-vrije honden te fokken, omdat dan de kans op HD bij de nakomelingen het kleinst is. Bij de rassen waarvan maar weinig honden beschikbaar zijn en bij rassen waarin HD vaak voorkomt is dit helaas niet altijd mogelijk. 

Naast de HD beoordeling wordt er ook een Norbergwaarde genoemd in de beoordeling. Deze waarde geeft de diepte en aansluiting van het gewricht aan. De Norbergwaarde van de linker- en rechterheup worden bij elkaar opgeteld en geven de "Som Norbergwaarden". 

Bij een normaal heupgewricht is de Norbergwaarde minstens 15, de som dus derhalve 30. Honden met een lage Norbergwaarde hebben dus ondiepe heupkommen en/of een slechte aansluiting van de gewrichtsdelen. Deze zullen een minder gunstige HD-beoordeling krijgen. Een normale of zelfs hoge Norbergwaarde betekent niet automatisch dat de hond goede heupgewrichten heeft. Diepe heupkommen maar een niet overal even brede gewrichtsspleet of onvoldoende aansluiting kan, zelfs bij een hoge Norbergwaarde, leiden tot een (licht) positieve beoordeling. 

Om de hond te kunnen laten röntgenen dient deze de leeftijd van minimaal 12 maanden te hebben. 
Een beoordeling kan maximaal 1 x per jaar plaats vinden en de uitslag van dit onderzoek vervangt de vorige uitslag. 
Dus is de hond eerst HD licht positief beoordeeld en deze wordt een jaar later opnieuw beoordeeld , maar de uitslag is dan HD negatief, dan vervalt de eerste beoordeling. 

De uitslag van het HD-onderzoek zegt ook lang niet altijd iets over de mate van erfelijkheid. Bijvoorbeeld: een pup wordt zodanig opgevoed dat alles wordt gedaan om een positieve HD-uitslag te voorkomen. De voeding is perfect, de lichaamsbeweging verloopt precies volgens het boekje, enzovoort. Als de hond een jaar oud is worden er foto's genomen. Uitslag: HD-TC. Prima dus. Met die hond kun je rustig fokken. 
Maar nu gaan wij met dit pupje iets minder zorgvuldig om, en in plaats van op éénjarige leeftijd laten wij de hond pas op negenjarige leeftijd röntgenen. Uitslag: HD+. Is het nu minder verantwoord om met deze hond te fokken? Is er iets in zijn genen veranderd? Nee, want uitsluitend zijn gestel is veranderd, terwijl zijn genen nog precies dezelfde zijn. En als deze hond ondanks zijn slechte HD-uitslag op negenjarige leeftijd nog perfect loopt en absoluut geen pijn heeft, en bovendien over een geweldig karakter beschikt, hebben wij dan een slechte koop gedaan en moeten wij de fokker van deze hond dan iets kwalijk nemen? 

Uiteraard is de kans om een hond te krijgen die al op jonge leeftijd ernstig HD heeft groter bij een ouderpaar dat allebei HD+ is bevonden dan bij een ouderpaar bij wie de uitslag in beide gevallen op enig moment HD- was. De vraag is echter: hoeveel groter is die kans? 50%? 25%? 10% 5%? De geleerden weten het niet, zijn het er althans niet met elkaar over eens. 
En dan is er nog de methode van fotograferen en het interpreteren van die foto's. Er schijnt al jaren verkeerd te worden gefotografeerd, zelfs door de meest ervaren dierenartsen. Thans zijn er nieuwe methoden waaruit blijkt dat veel honden die ooit HD+ zijn bevonden ten onrechte het stigma HD+ hebben gekregen, en het is gebeurd dat een aantal honden om die redenen ten onrechte is afgemaakt. Nieuwe methoden, zoals de vermaarde PennHIP methode, ontwikkeld door de Universiteit van Pennsylvania, betekenen bovendien vaak nieuwe apparatuur en bijscholing, en veel dierenartsen investeren niet graag in nieuwe, dure apparatuur als de oude apparatuur nog "goed" is. Dat betekent op zijn beurt een dillema voor de rasverenigingen, want naar welke dierenarts moeten zij hun leden sturen? Naar dokter Jones in New York? 
Uit onderzoek naar de (o.a.) in Nederland gebruikte methode (de OFA-methode) is bovendien gebleken dat het regelmatig voorkomt dat honden die overduidelijk HD hebben het predikaat HD-vrij krijgen, terwijl honden die volkomen HD-vrij zijn soms met het geluk- en levensbedreigende stigma HD-positief naar huis mogen. De afdeling GGW van de Raad van Beheer (voormalige W.K. Hirschfeldstichting) en de Nederlandse Labrador Vereniging (NLV), die kennelijk zweren bij de in Nederland gebezigde ouderwetse en achterhaalde methoden, accepteren geen uitslagen van Engeland en de Verenigde Staten, een op kynologisch gebied vooruitstrevend en toonaangevend land. Terwijl men hier van bijvoorbeeld de PennHIPP methode en vooral van het Amerikaanse DNA onderzoek naar heupdysplasie, PRA en elleboogdysplasie bij honden nog zoveel zou kunnen leren. 
Een tip: laat in Nederland nooit honden ouder dan 5 jaar testen op HD met de bedoeling de röntgenfoto's te laten beoordelen door de afdeling GGW van de Raad van Beheer, want met de in Nederland gebezigde methoden is men onvoldoende in staat gewone ouderdomsartritis te onderscheiden van beginnende heupdysplasie, met het gevolg dat uw hond wel eens zeer ten onrechte het predikaat HD+ zou kunnen krijgen en voor het fokken ongeschikt wordt bevonden. 
Dat alles is echter informatie die de Raad en de rasverenigingen u niet zullen verstrekken, want denk eens aan alle schadeclaims die dat zou kunnen opleveren! Om van de enorme onrust in de kynologische wereld maar te zwijgen. 
Dat er maatregelen worden genomen om onzorgvuldigheid in de fokkerij tegen te gaan is zeer logisch en terecht. Dat er wordt gewerkt met methoden die op dat moment gangbaar zijn is tevens logisch en terecht. Maar dat wordt doorgegaan met verouderde middelen, verouderde instrumenten en verouderde kennis, terwijl er nieuwe methoden, kennis en middelen voorhanden zijn, is niet te rechtvaardigen, zeker niet wanneer talloze bonafide fokkers en gezonde honden daar de dupe van worden. 

De uitslagen van het HD onderzoek van de Labrador worden doorgestuurd naar de Nederlandse Labrador Vereniging welke op zijn beurt deze uitslagen publiceert  in de Labrador Post. 

Het is uiteraard aan te bevelen alleen met HD-vrije honden te fokken, omdat dan de kans op HD bij de nakomelingen (pups) het kleinst is, maar: 

  • dat is niet bij elk ras mogelijk (weinig beschikbaar fokmateriaal!);
  • dat geeft geen garantie voor HD-vrije pups.
In de fokkerij van rashonden moet ook rekening gehouden worden met andere erfelijke stoornissen en met speciale ras- en gedragskenmerken. Bij sommige rassen waarin HD vaak voorkomt en bij rassen waarvan maar weinig honden beschikbaar zijn is het daardoor helaas niet altijd mogelijk uitsluitend met HD-vrije honden te fokken. 
Door de invloed van uitwendige factoren op het ontstaan van HD is de mate van verandering aan de heupgewrichten niet altijd een goede maat voor de erfelijke status van de hond voor wat betreft HD. 
Zelfs wanneer een hond vrij is van HD wil dat nog niet zeggen dat de hond geen erfelijke factoren in zich kan hebben en kan door geven aan zijn of haar nageslacht. Dit wetende kan men dan ook niet zonder meer in alle gevallen de fokker aansprakelijk stellen wanneer een gekochte pup later HD blijkt te hebben. 
Men mag echter wel van de fokker verwachten dat hij alles zal doen wat in zijn vermogen ligt om erfelijke stoornissen bij de hond, dus ook erfelijke heupdysplasie, zoveel mogelijk te voorkomen. 
Per ras zullen de fokkers dan ook gezamenlijk (binnen of buiten de rasvereniging, maar in elk geval gezamenlijk) moeten vaststellen welke foktechnische maatregelen binnen hun ras mogelijk zijn met betrekking tot de bestrijding van HD. 

In België is het verplicht een HD-onderzoek te laten uitvoeren wanneer met met zijn reu of teef wil fokken. Doet men dit niet, dan zal men voor de pups geen stamboom kunnen krijgen, ook al hebben de ouderdieren er wel één. 
In Nederland geldt deze verplichting niet, maar daar staat tegenover dat Nederland van alle Europese landen het strengst controleert en interpreteert, ondanks de sterk verouderde en achterhaalde methoden. 
In Nederland verplicht de rasvereniging haar leden om dit onderzoek te doen alvorens te fokken. Doet de fokker het niet, dan wordt hij voorgedragen voor royement. De Nederlandse Labrador Vereniging stelt overigens dat het een lid van de NLV vrij staat om voor eigen verantwoordelijkheid te fokken met een hond met HD++, mits deze uitslag is gepubliceerd. 

Preventie

Is HD te voorkomen? 
Een afdoende behandeling voor HD bestaat niet. Daarom moet getracht worden de ontwikkeling van HD zoveel mogelijk te voorkomen. Dat kan 
  • door de uitwendige omstandigheden voor jonge, opgroeiende honden zo gunstig mogelijk te maken (goede voeding, maar vooral niet teveel; overmatige belasting van de heupgewrichten voorkomen; beperken van springen, trap lopen en trekken);
  • via de fokkerij, door controle van de voor de fokkerij bestemde honden.

Voeding

Tijdens de groei van het bot wordt steeds kraakbeen omgezet in bot: zowel in de groeischijf als bij de uiteinden van alle botten. Verbening van het kraakbeen kan verstoord worden door voedingsfouten. 
Met name teveel energie, teveel Calcium (kalk), een foutieve Calcium/Fosfor-verhouding en te veel of te weinig vitamine D kunnen deze verbening met grote gevolgen verstoren. 
Bekend is dat honden die "verkeerd" gevoed worden beduidend meer lijden aan onder andere HD. Een hond die een "complete voeding" krijgt heeft geen behoefte meer aan extra vitaminen en mineralen. Vooral extra kalk en Vitamine D hebben juist een averechts effect op de skelet- en gewrichtsontwikkeling. Dit geldt echter niet voor vitamine C. 
"Compleet" voer moet, wettelijk verplicht, de juiste hoeveelheden en verhoudingen van o.a. Calcium, Fosfor en Vitamine D bevatten. Zie ook het artikel over vitamine C. 
Te hard groeien en overgewicht beïnvloeden beiden het optreden van HD ten nadele. 
Als vuistregel doet men er goed aan de aanwijzingen van de voerfabrikant omtrent de te verstrekken hoeveelheid voer op te volgen. 

Beweging

Tijdens de groei van de hond is voldoende en gedoseerde beweging noodzakelijk om de weke delen goed te laten ontwikkelen. 
Met name "rechtlijnige beweging" is voor de ontwikkeling van de bekkenspieren belangrijk; dus met name in rechte lijn wandelen, naast de fiets lopen in een rustige draf of zwemmen zijn erg geschikte bewegingsvormen. Meerdere malen per dag een kwartier is een goede richtlijn. 
Over het fietsen met de hond is nogal wat discussie; vele onderzoekers menen dat dit een geschikte bewegingsvorm voor jonge honden is, mits men zich aan enkele regels houdt. 
De hond moet minimaal 5 à 6 maanden oud zijn. Onder fietsen wordt verstaan een (sukkel)drafje. De lengte van de fietstocht hangt met name van de jonge hond af; de hond mag wel moe, maar niet oververmoeid raken. 
Een jonge hond geeft meestal zelf aan hoelang, maar overdrijf met name de eerste maanden niet. 
Ongeschikte bewegingsvormen zijn korte draaibewegingen; dus de opgroeiende jonge hond niet overdreven achter balletjes of stokken aan laten rennen, traplopen of veelvuldig (op) springen zijn helemaal uit den boze. 

De hond heeft HD

Wanneer de hond geen klachten vertoont is behandeling niet nodig en gelukkig kunnen veel honden ondanks hun HD prima als huishond functioneren. De kans op problemen blijft echter bestaan en zal toenemen naarmate meer van de hond wordt geëist (zoals bijvoorbeeld bij africhting) en naarmate de hond ouder wordt. 
HD is niet te genezen, maar in veel gevallen wel te behandelen. 
Misvormingen van de heupgewrichten kunnen, eenmaal aanwezig, niet meer ongedaan worden gemaakt. 
Een behandeling zal dan ook vooral gericht zijn op de revalidatie van de afwijkende heupgewrichten: 
  • overmatig lichaamsgewicht voorkomen of drastisch verminderen (vermageren) om onnodige belasting van de heupgewrichten te voorkomen;
  • regelmatige lichaamsbeweging om de gewrichten minder stijf te doen worden en proberen de bespiering te bevorderen (vaak korte stukjes uitlaten, lichte looptraining, zwemmen);
  • pijnbestrijding als ondersteuning van de revalidatie (injectie of medicijnen, en/of eventueel operatief ingrijpen).
De realiteit van HD bij de Labrador Retriever 
Nog eenmaal de `uitslagen' van de afdeling GGW van de Raad van Beheer: 

HD -  (= negatief) Röntgenologisch vrij van heupdysplasie. Betekent dit dat uw hond vrij is van erfelijke heupdysplasie? Nee. Wanneer u uw hond op tweejarige leeftijd laat onderzoeken en op vierjarige leeftijd nog eens, en de hond is nog steeds HD-, dan kunt u er vrij zeker van zijn dat uw hond fenotypisch vrij is van erfelijke heupdysplasie, maar dit zegt nog steeds niets over het genotype van de hond. Ook deze hond kan zeer goed drager van heupdysplasie zijn, dus de aandoening overdragen op zijn/haar nakomelingen. 

HD Tc (= overgangsvorm) Röntgenologisch geringe afwijkingen. Deze uitslag komt het meest voor bij honden van leden van de Nederlandse Labrador Vereniging. Met deze honden wordt naar hartelust zonder enig bezwaar gefokt. 

HD ±   (= licht positief) Röntgenologisch afwijkingen aanwezig. 

HD +   (= positief) Röntgenologisch duidelijke afwijkingen aanwezig. 

HD ++ (= positief in optima forma)  Röntgenologisch ernstig misvormd. 

De mate van erfelijkheid van een afwijking meten door middel van röntgenfoto's. 
Het zal u duidelijk zijn: de Nederlandse Labrador Vereniging (NLV) en de afdeling GGW van de Raad van Beheer (voormalige W.K. Hirschfeldstichting) trachten krampachtig de diepte van een put te meten door middel van een thermometer. En wij weten na dertig jaar nog steeds niet hoe diep die put is, maar de deskundigen van GGW weten ons wel te vertellen dat het water erg koud is. En maar doorgaan met die thermometer. "Wij doen ons best. DNA? Wat is dat?" 

Willem Geert Ubbink, destijds in deeltijd werkzaam bij de W.K. Hirschfeldstichting: `Je kunt een dier niet keuren op de kans dat hij mogelijk op vijfjarige leeftijd een bepaalde afwijking ontwikkelt. Het feit dat een dier een afwijking heeft, is niet onder de tafel te schuiven, alleen je kunt niet vooraf zeggen dit pupje is goed, want hij zal die afwijking niet krijgen. Zolang wij niet in staat zijn op DNA-niveau de kansen te bepalen, zul je dmv beschrijvend onderzoek achteraf moeten vaststellen dat een groot aantal dieren van een bepaald vaderdier de ziekte heeft ontwikkeld, stel een tumor, en zul je moeten terugrekenen in de zin van waarschijnlijk heeft hij iets mee te maken gehad met de vererving. Dat moet je hard maken en dan zul je moeten proberen om de genetische invloed van het vaderdier, dat zelf mogelijk allang dood is, relatief gezien terug te dringen door ook minder direkte nakomelingen van dit dier in de fokkerij in te zetten.' 

Dus: zolang men niet in staat is op DNA-niveau de kansen te bepalen, kan men niet zeggen `dit pupje is goed'. Ik kan mij volledig vinden in hetgeen Ubbink beweert, maar ik blijf het vreemd - en medisch gezien onjuist - vinden dat de mate van vastgestelde heupdysplasie wordt gekoppeld aan de mate van erfelijkheid van heupdysplasie. En vooral dat de ogenschijnlijke afwezigheid van heupdysplasie op eenjarige of anderhalfjarige leeftijd - zeker door de leek op dit gebied - ten onrechte wordt gekoppeld aan het genetisch vrij zijn van heupdysplasie. De verwarring is groot en kan alleen maar groter worden. 

HD- op de stamboom zegt dus niets, net zomin als HD+ iets zegt over de mate van erfelijkheid. Dat schept verwarring, dat leidt tot verwachtingen die niet waar gemaakt kunnen worden.Waarom dan toch doorgaan met het vermelden van deze gegevens op de stamboom? En als men die gegevens zonodig moet vermelden, waarom vermeldt men dan niet expliciet bij alle uitslagen (dus ook bij HD-) dat de mate van erfelijkheid niet kan worden vastgesteld? Wacht tot het mogelijk is door middel van DNA onderzoek te bepalen in welke mate bepaalde afwijkingen erfelijk zijn en hoe groot de waarschijnlijkheid is dat een dier deze afwijking zal ontwikkelen, en in welke mate. Zo'n onderzoek kan al gedaan worden wanneer een pup een dag oud is. De uitslag kan na een week bekend zijn. (Bij gebruik van het DNA-stripje zelfs binnen enkele seconden!) Op basis van deze uitslag kan de fokker bepalen welke dieren uit het nest verwijderd moeten worden. Zo nodig kan men hieromtrent richtlijnen opstellen. Alvorens een pup het nest verlaat verkrijgt hij een certificaat, dat wordt overhandigd aan de nieuwe eigenaar. De fokker is daarmee gevrijwaard van enige aansprakelijkheid wat betreft erfelijke aandoeningen, terwijl de nieuwe eigenaar exact weet waar hij in de toekomst rekening mee moet houden. 
Maar zolang wij nog niet zover zijn, moeten wij niet `roeien met de riemen die we hebben', want met een theelepeltje tegen de stroom inroeien kost een hoop energie en levert niets op. De afdeling GGW van de Raad van Beheer moet toegeven dat het beleid ten aanzien van erfelijke aandoeningen als heupdysplasie en elleboogdysplasie bij de Labrador Retriever tot nu toe weinig effectief is geweest. Ik durf zelfs te beweren dat het in bepaalde opzichten contraproductief is geweest, omdat een aantal fokkers zich juist door dit beleid aan het oog van de stichting en de NLV (en soms zelfs van de Raad van Beheer) heeft onttrokken, waardoor de stichting weliswaar meer zicht en invloed heeft op de achterblijvers die het sowieso al niet slecht deden, maar minder zicht en invloed heeft op het geheel. En dat kan toch niet de bedoeling zijn? 

De Raad van Beheer op Kynologisch Gebied in Nederland is voornemens een `stamboom- plus' in te voeren voor honden van fokkers die zich aan de gestelde normen houden. Dat kan goed werken wanneer een bepaald ras niet erg in trek is en de aspirant-koper kan kiezen tussen een hond met `stamboom-plus' en een hond met een gewone stamboom. Maar bij een ras als de Labrador Retriever, waarbij de vraag aanmerkelijk groter is dan het aanbod, zeker wat honden met stamboom betreft, zullen er zeker fokkers zijn die bepaalde economische principes niet uit het oog verliezen en een economische afweging zullen maken. (Wat levert mij per saldo meer op: een pup met een gewone stamboom of een pup met stamboom-plus?) Dezelfde afweging die thans wordt gemaakt m.b.t. het lidmaatschap van de NLV (wat levert meer op, voldoen aan de eisen van de NLV, of niet voldoen aan de eisen van de NLV?). In de praktijk blijkt dat het lidmaatschap van de NLV geen enkele economische meerwaarde heeft. Een pup met stamboom van een NLV-lid is gemiddeld even duur als een pup met stamboom van iemand die geen lid is van de NLV. 
De Raad van Beheer wil de `stamboom-plus' goedkoper laten zijn dan de gewone stamboom, zodat de fokkers die zich aan de richtlijnen houden worden `beloond'. De Raad van Beheer bedient zich momenteel ook al van een dergelijk mechanisme, door een korting van ruim honderd gulden per nest te geven wanneer de fokker lid is van de rasvereniging. Maar wat is honderd gulden op een nest van tien mille? Hoe Nederlands moet je zijn om je daardoor te laten verleiden? En stel: ik heb een fokreu en enkele fokteven die al een jaar of vier oud zijn en kerngezond. Waarom zou ik dan veel geld uitgeven aan onderzoeken die sowieso niets maar dan ook niets over de mate van erfelijkheid zeggen? 

Nee, op deze manier komen wij er niet. Op deze manier creëren wij een bepaalde elite in de kynologische wereld en laten wij de wildgroei welig tieren, waardoor wij ons doel voorbij schieten. Ik beperk mij nu even tot de Labrador Retriever: waarom spelen de Raad van Beheer en de NLV geen open kaart? Waarom geven zij niet toe dat zij op dit moment bij geen enkele Labrador pup de garantie kunnen geven dat deze pup genetisch vrij is van heupdysplasie en elleboogdysplasie? Waarom geven zij niet toe dat zij eerst moeten wachten op de perfectionering van het DNA-onderzoek alvorens zij met zekerheid iets over de mate van erfelijkheid van deze aandoeningen kunnen zeggen? 

Laten we wel zijn: heupdysplasie is geen AIDS. Van alle Labrador Retrievers bij wie heupdysplasie is geconstateerd, heeft slechts een enkeling de aandoening dusdanig ontwikkeld dat het leven van hond en eigenaar er drastisch door wordt beïnvloed. Dat is uiteraard heel erg, zeker voor de hond en de eigenaar, maar ook voor de fokker. Wanneer de fokker, maar vooral de eigenaar, er alles aan hebben gedaan om fenotypische ontwikkeling van de heupdysplasie te voorkomen dan wel te beperken en men met enige zekerheid kan stellen dat deze ernstige mate van heupdysplasie erfelijk bepaald is, dan moet de fokker daaruit zijn conclusies trekken en niet meer met het betreffende ouderdier fokken. 
Zodra de Nederlandse Labrador Vereniging open kaart speelt en het publiek duidelijk maakt dat elke aspirant-koper van een Labrador Retriever er rekening mee moet houden - dat wil zeggen niet uit moet sluiten - dat de hond vroeger of later, in meer of mindere mate, heupdysplasie ontwikkelt, dan neemt zij het publiek serieus en kan de aspirant-koper besluiten welk risico aanvaardbaar is of niet. 
Maar zolang de Nederlandse Labrador Vereniging zelf pups blijft bemiddelen van ouders die genetisch en fenotypisch niet volledig vrij van heupdysplasie zijn, wekt men bij het publiek ten onrechte de indruk dat de pupbemiddeling van de NLV een soort kwaliteitskeurmerk (garantie) m.b.t. heupdysplasie is. Dat `kwaliteitskeurmerk' gaat wellicht op voor de prestaties van de ouderhonden, maar niet voor het ontbreken van erfelijke aandoeningen. 

Juridische aansprakelijkheid van de fokker 
De Nederlandse Labrador Vereniging stelt: `Het fokken met `niet-vrije' of `niet-onderzochte' Labrador Retrievers kan grote financiële risico's voor een fokker met zich meebrengen, zoals uit een aantal rechtszaken kan worden opgemaakt.' Verder stelt de Nederlandse Labrador Vereniging: `Op basis van de uitspraak van de Hoge Raad d.d. 9 januari 1998 concludeert mr J. Deckers: `... dat alleen de fokker die de gezondheidsregels van de pupbemiddeling van de NLV in acht neemt (en daarboven een goede koopovereenkomst gebruikt) grote kans heeft zijn aansprakelijkheid voor de gevolgschade af te weren' in die gevallen dat er bij pups erfelijke afwijkingen worden geconstateerd.' 
In de eerste plaats vermeldt de NLV niet om welke rechtszaken het gaat, zodat wij niet kunnen controleren wat er aan de hand was. Ten tweede verzuimt de NLV te vermelden wie mr J. Deckers is. De president van de Hoge Raad? De advocaat van de NLV? Zo weten wij niet welke waarde wij aan deze uitspraak moeten hechten. 
Ten derde zijn de `uitspraken' met elkaar in tegenspraak. `Het fokken met niet-vrije dieren kan grote financiële risico's voor een fokker met zich meebrengen' en `alleen de fokker die de gezondheidsregels van de pupbemiddeling van de NLV in acht neemt heeft grote kans zijn aansprakelijkheid voor de gevolgschade af te weren.' Maar zelfs de gezondheidsregels van de pupbemiddeling van de NLV laten het fokken met niet-vrije dieren (HD Tc en HD±) toe! 
Deze uitspraak kan dus niet juist zijn. Wellicht is het een uitspraak van iemand die zeer weinig kynologische kennis heeft en blind vaart op de `deskundigheid' van de NVL. De uitspraak is evenmin juist omdat men ervan uitgaat dat elke fokker op de hoogte is - of zou moeten zijn - van de regels van de NLV. Dat is juridisch zeer aanvechtbaar omdat de NLV een gewone particuliere vereniging is en men geen mens kan verplichten lid te zijn van die vereniging. En als men geen lid van de vereniging is, kan men niet verwachten dat men op de hoogte is van de telkens veranderende regelgeving van die vereniging. 

Dan is er de `deskundigheid' of liever gezegd het gebrek daaraan van de afdeling GGW van de Raad van Beheer. Een hond die ouder is dan vijf jaar kan HD+ worden bevonden. Maar GGW is niet afdoende in staat onderscheid te maken tussen erfelijke heupdysplasie en niet-erfelijke ouderdomsarthrose. Het predikaat HD+ kan dus volkomen onterecht zijn gegeven. Een fokker die zijn hond kent en weet dat de hond nooit last van zijn heupen heeft gehad, kan besluiten deze hond te laten dekken, ondanks het oordeel van GGW. Het is dan aan GGW om aan te tonen dat men wel degelijk in alle gevallen onderscheid kan aantonen tussen HD en ouderdomsarthrose. Alleen kan de afdeling GGW van de Raad dat (nog) niet. 
Uiteraard kan iemand die willens en wetens fokt met een hond die al op jonge leeftijd HD++ is bevonden, dat wil zeggen een hond waarvan zeker is dat de afwijking niet het gevolg kan zijn van fenotypische factoren, aansprakelijk worden gesteld. 
Maar de ontwikkeling van heupdysplasie heeft twee oorzaken: a: erfelijkheid, b: erfelijkheid en `onoordeelkundig gebruik'. Hoe wil de rechter vaststellen of er sprake is van a of b? Bij wie ligt de bewijslast? Kan een fokker, die aan kan tonen dat zeven van zijn acht pups geen onaanvaardbare vorm van heupdysplasie hebben ontwikkeld en één wel, stellen dat er bij die ene pup sprake moet zijn geweest van `onoordeelkundig gebruik'? En welke vorm van heupdysplasie is `aanvaardbaar' en welke niet? Verschilt dat ook niet van mens tot mens? Met andere woorden: is dat geen subjectief oordeel? 
En last but not least: wetend dat in Nederland de mate van erfelijkheid van heupdysplasie niet kan worden afgemeten of gerelateerd aan de mate van vastgestelde heupdysplasie, dient elke rechter bij elk geval opnieuw een afweging te maken en moet hij proberen vast te stellen in hoeverre een fokker te goeder trouw heeft gehandeld of niet. 

Nieuwe ontwikkelingen 
De Raad van Beheer heeft besloten de beoordeling van HD-röntgenfoto's met ingang van mei 2002 te laten verlopen volgens het standaard FCI-protocol. Dit betekent hopelijk dat er een einde komt aan de grote verschillen in HD-uitslagen tussen Nederland en andere landen, want Nederland keurde tot nu toe altijd bovenmatig streng. 
Dit betekent tevens dat er twee vormen van HD-beoordelingen zullen zijn: de oude (strenge) vorm en de nieuwe (realistische) vorm. Om te kunnen beoordelen wat de oude beoordelingen (van vóór mei 2002) thans waard zijn volgens de FCI-norm, dient er m.b.t. de oude beoordelingen een vertaalslag plaats te vinden. Deze "vertaling" komt zo ongeveer op het volgende neer: 
  
  

Oude beoordeling (vóór mei 2002) Nieuwe beoordeling (vanaf mei 2002)
HD-min HD-A
HD-TC HD-A
HD-plusminus HD-B
HD-plus HD-C
HD-plus-plus HD-D
  
  

Zie voor uitgebreide medische informatie en röntgenfoto's het onthullende Engelstalige artikel Hip Dysplasia (CHD). 

.
Terug naar de rubriek Medisch
.
.
   ..
 .
This website is maintained by Jack Vanderwyk
and sponsored by Joe Batt's Arm Labradors.
 Visit our sponsor