



| Inleiding
Honden fokken wil niet zeggen honden vermeerderen, maar een ras verbeteren. Of wij een ras verbeteren, op zijn huidige peil houden of bederven is afhankelijk van de vraag of het ons lukt de voor de fok waardevolle dieren te selecteren. Belangrijk is de beoordeling van de familie van het fokdier: de broers en zusters en de ouders van het fokdier en vervolgens zijn eigen nakomelingen bepalen in de eerste plaats de fokwaarde. Wordt in verscheidene, grote nesten geen enkel dier met een bepaalde ongewenste eigenschap aangetroffen, dan mogen wij met enige zekerheid aannemen dat het betreffende fokdier dubbel dominant is. Vertoont zich anderzijds bij de nakomelingen een fout, die de ouders zelf niet vertonen, dan wil dat zeggen dat die fout recessief overgeërfd wordt en dat beide ouderdieren het betreffende gen in hun erfmassa hebben. Soms laat een fokker zich verleiden het hoge dekgeld voor een goede reu uit te sparen en laat hij zijn teef dekken door een minderwaardige en daardoor veel goedkopere reu uit dezelfde bloedlijn, in de verkeerde veronderstelling dat deze minderwaardige reu 'hetzelfde bloed' (lees: dezelfde erfmassa) zou bezitten als zijn beroemde bloedverwant. Zelfs nestbroers en -zusters kunnen echter niet alleen fenotypisch (uiterlijk), maar ook genotypisch (qua erfmassa) zeer verschillend zijn. Uiteraard kan het zijn dat de minder beroemde broer voor een bepaalde teef vaak een betere dekreu is dan zijn kampioenschap na kampioenschap in de wacht slepende broer, maar dit is slechts een mogelijkheid en mag geenszins als regel worden beschouwd. Dubbel gevaarlijk wordt deze theorie van "hetzelfde bloed", wanneer de fokker de beste teven uit zijn nesten omwille van de hogere opbrengst verkoopt en verder gaat fokken met de minderwaardige, aangezien deze immers, zoals hij denkt, hetzelfde bloed voeren als de toppers onder hun nestzusters. Minderwaardige dieren hebben meestal ook een minderwaardige aanleg en een fokker die dit buiten beschouwing laat zal als fokker al spoedig uit het gezichtsveld verdwijnen. Een onomstotelijk principe bij het fokken van welke diersoort dan ook luidt derhalve: Voor de fok is het beste maar net goed genoeg. In de hondenfokkerij zijn er grofweg drie manieren om te fokken, die ik hier afzonderlijk zal bespreken. .
![]() Bovenstaande stamboom is een typisch voorbeeld van lijnenteelt. Zowel de stamboom van de reu als die van de teef voeren terug naar hooggekwalificeerde, zeer bekende Labradors. Zij hebben bijvoorbeeld een gezamenlijke grootouder of overgrootouder. Het belangrijkste doel van lijnenteelt is het van generatie tot generatie overbrengen van een groot deel van de genen van hoogwaardige voorouders, zonder toename van de frequentie van ongewenste eigenschappen, die vaak met inteelt worden geassocieerd. Omdat lijnenteelt niet strikt gebaseerd is op het aan elkaar koppelen van nauw verwante individuen (met zeer identieke genen), veroorzaakt het niet noodzakelijkerwijs een snelle toename van homozygote genenparen. Als gevolg daarvan zullen ongewenste recessieve genen niet in dezelfde mate voorkomen als bij inteelt. Daarom is lijnenteelt voor veel fokkers aanzienlijk veiliger dan inteelt. Elke goede stam is het gevolg van lijnenteelt, doorgaans teruggefokt op de oorspronkelijke stam, want topfokkers kennen hun stam van haver tot gort, dus zij weten precies hoe zij hun eigen bloedlijnen moeten gebruiken. Volgens genetici kan lijnenteelt vele generaties lang worden voortgezet zonder nadelige gevolgen voor de lijn of het ras, zolang de betrokken honden weinig tot geen verborgen genetische gebreken hebben. Losse lijnenteelt zal bij opeenvolgende generaties leiden tot meer fysieke variatie (minder fysieke gelijkheid) dan inteelt of nauwe lijnenteelt, maar de fysieke structuur (schofthoogte, vorm, etc.) zal vrijwel gelijk blijven, met minder lange-termijn risico's. Fokzuiverheid van een lijn (niet te verwarren met raszuiverheid) verhoogt in hoge mate de kans dat de pups op hun beurt de gewenste eigenschappen aan hun nageslacht zullen doorgeven. Wanneer men bij de selectie van pups uit een nest dat middels lijnenteelt ter wereld is gekomen verzuimt de pups te kiezen die over de gewenste eigenschappen van een bepaalde voorouder beschikken, dan heeft men als fokker gefaald. Dan is het zeer waarschijnlijk dat de geselecteerde pups hun eigenschappen hebben geërfd van de overige honden in hun stamboom, en zullen zij dus niet in staat zijn de gewenste eigenschappen door te geven aan hun nageslacht, omdat de fokker die eigenschappen bij de pups weg heeft geselecteerd. Eén van de beste manieren om te evalueren hoe succesvol lijnenteelt is geweest, is te kijken naar de uiterlijke overeenkomsten tussen de nestgenoten en die overeenkomsten te vergelijken met pups uit andere nesten met vergelijkbare stambomen. Aanzienlijke uiterlijke overeenkomsten vertellen de fokker dat de genen zich hebben gepaard zoals verwacht. Deze pups zullen hoogstwaarschijnlijk in staat zijn hun genen aan de volgende generatie door te geven. Het geheim van het fokken is dat alle lijnenteelt tot stand dient te komen door een combinatie van prestatie, verschijning en afkomst van het fokmateriaal. Wanneer een fokker succesvol wil zijn met het creëren van een bepaalde bloedlijn, moet hij rigoreus honden selecteren die over de gewenste eigenschappen beschikken en ongeveer dezelfde stamboom hebben. Alleen op die manier kan de fokker ervoor zorgen dat bepaalde gewenste eigenschappen na verloop van tijd fokzuiver worden. Dit is de enige sleutel tot succesvolle lijnenteelt, die door onsuccesvolle fokkers meestal niet wordt gezien. Wanneer je een "eigen" bloedlijn wilt beginnen (op een bestaande bloedlijn wilt doorborduren d.m.v. lijnenteelt), kies dan honden uit een lijn waarvan het belangrijkste individu, de matador, zich vele malen heeft bewezen en veel superieure nazaten heeft geproduceerd, in verschillende andere bloedlijnen. Zonder voldoende genetische diversiteit zal het moeilijk zijn om binnen de bloedlijn honden te vinden die niet tevens de ongewenste eigenschappen van de matador dragen. Dat zijn juist de eigenschappen die er moeilijk uit te fokken zijn. De meeste beginnende fokkers denken dat zij moeten beginnen met een fokteef uit een bepaalde bloedlijn van hun keuze, en zij hebben gelijk. De beginnende fokker moet proberen teven aan te schaffen die niet alleen van dezelfde matador afkomstig zijn, maar ook uit dezelfde moederlijn achter de matador in kwestie. In plaats van te proberen een teef te kopen die zo dicht mogelijk bij de matador staat, moet de fokker op zoek gaan naar de stamboom waaruit blijkt uit welke genenpool beide grootmoeders van de matador afkomstig zijn, m.a.w. welke genenpool de grootmoeders gezamenlijk hebben. Een teef die uit deze genenpool afkomstig is, fokzuiver is en over de overige gewenste eigenschappen beschikt, zal waarschijnlijk fantastische pups op de wereld zetten. Wanneer het gaat om het dragen en doorgeven van bepaalde genen, zijn teven veel belangrijker dan reuen. Dit is zelfs zo wanneer de meeste gewenste eigenschappen aanwezig waren in de matador. Om een succesvolle fokker te kunnen worden is het belangrijk om de teven te selecteren die de eigenschappen van de matador dragen en daarmee verder te fokken. Veel belangrijke gewenste eigenschappen zijn gerelateerd aan het geslacht en worden door de teven van generatie op generatie doorgegeven. Succesvolle lijnenteelt is een langdurige en moeizame taak; een taak die zich kenmerkt door een levenslange toewijding aan een bepaalde bloedlijn. Hoewel niets met zekerheid kan worden gezegd wanneer het om de hondenfokkerij gaat, is lijnenteelt de methode die wordt gebruikt als de meest zinvolle manier om zowel het type te behouden als genetische aandoeningen van het ras te elimineren. Outcross Bij outcross maak je gebruik van een hond die niet of nauwelijks verwant is aan jouw eigen bloedlijnen; in een 4-generatie stamboom komt dezelfde voorouder niet tweemaal (of vaker) voor. Doorgaans maak je alleen gebruik van outcross wanneer je niet tevreden bent met je eigen bloedlijnen. Met outcross ben je op zoek naar verandering, terwijl je met inteelt of lijnenteelt bij elke generatie de fokzuiverheid van jouw "type" vastlegt. De kansen om door middel van outcross pups van bijzondere kwaliteit te verkrijgen, zijn echter klein. Wanneer de fokker vooruit denkt en een plan voor ogen heeft, bestaat de mogelijkheid dat hij acceptabele resultaten bereikt, maar de volgende stap moet dan wel zijn dat er weer nauw aan de lijn wordt gefokt. Bij outcross is er eigenlijk sprake van toeval. Je kan nooit voorspellen hoe je puppies er uit zullen zien. Met een hoge aan waarschijnlijkheid grenzende zekerheid kun je stellen dat je niet de beste eigenschappen van de reu en de teef zult doorvererven. De kans is zeer groot dat je een kwalitatief doorsnee nestje zult produceren, of zelfs minder dan dat. Is het een goede combinatie of niet? (Het bingo-effect) Sommige fokkers die zich geruime tijd met lijnenteelt hebben beziggehouden, zijn tot de conclusie gekomen dat het soms verstandig is om gebruik te maken van vers bloed. Dat zou zo kunnen zijn, maar je moet wel blijven vasthouden aan jouw fenotype. Dat zorgt ervoor dat de genen in het middels outcross verkregen nest opnieuw worden gemixt, maar op een min of meer voorspelbare manier, ten gevolge van de eerder toegepaste lijnenteelt. Soms, en vooral bij een teef met bijzonder verfijnde trekken, zal outcross tot verrassend goede resultaten leiden. In zo'n geval is het resultaat direct vanaf de geboorte zichtbaar, door de gezondheid en de levendigheid van de pups. Dit verschijnsel noem ik het "bingo-effect". Terwijl het nest zich soms kenmerkt door gebrek aan uniformiteit, zijn er op deze manier enkele zeer goede showhonden ter wereld gekomen. Wanneer de combinatie van twee bloedlijnen tot het "bingo-effect" leiden, zou de combinatie met andere bloedlijnen ook kunnen werken. Puppy's uit dergelijke combinaties worden doorgaans teruggefokt op een van de twee bloedlijnen waaruit zij afkomstig zijn, waarmee zij een basis vormen van een "nieuwe" lijn, en daarmee zijn we terug bij lijnenteelt. . ![]() |


