View My Stats
.
.
De Nederlandse Labradorvereniging (NLV) en het verschijnsel Inteeltcoëfficiënt
.
.
 
De Nederlandse Labradorvereniging (NLV) is van mening dat het slecht gesteld is met de Labrador in Nederland. De NLV maakt in deze stelling geen onderscheid tussen de Labradors die binnen de NLV door de leden worden gefokt en de Labradors, vaak zonder stamboom, die buiten de verenigingen worden gefokt.  
Nu wil de NLV iets aan de kennelijk erbarmelijke staat van de Labrador doen door de leden van de NLV een dekbeperking van hun reuen op te leggen en iets te doen aan de inteeltcoëfficiënt van toekomstige nesten. Uit dit obsessief verlangen kan men twee dingen opmaken:  
1. De NLV vindt dat het slecht gaat met de Labradors zoals die binnen de vereniging worden gefokt.  
2. De NLV vindt dat de inteelcoëfficiënt van binnen de vereniging geproduceerde honden te hoog is. 
3. De NLV vindt dat een dekbeperking deze veronderstelde hoge inteeltcoëfficiënt kan verminderen. 
. 
Dit was voor mij de aanleiding om een onderzoek te verrichten naar de inteeltcoëfficiënt van Labradors die binnen de NLV zijn gefokt, dan wel de Labradors die binnen de NLV voor nageslacht hebben gezorgd. De vraag daarbij was of het met die inteelt werkelijk zo slecht is gesteld en of die inteelt hoger is dan vroeger. Ook kan men zich terecht afvragen of er binnen de labradorpopulatie zoals die binnen de Nederlandse verenigingen wordt gefokt sprake is van inteeltdepressie. Er is namelijk niets wat daar ook meer enigszins op wijst. 
. 
Om een vergelijking te kunnen maken met de inteeltcoëfficiënt van de Labradors van nu en die van het verleden, heb ik van een groot aantal honden de inteeltcoëfficiënt berekend. Daarnaast heb ik onderzoek verricht naar de "vakkennis" binnen het bestuur van de NLV, d.w.z. de kennis die nodig is om zich een oordeel te kunnen vormen over fokmethoden. 
 
Omstreeks 1820 werden er door Engelse vissers Labradors meegebracht uit Newfoundland, Canada. Zij brachten de honden aan wal in havenplaatsen als Poole, in Dorset, waar zij de Labradors verkochten aan Lord Malmesbury, die in de buurt woonde. Lord Malmesbury en kolonel Peter Hawker kruisten de geïmporteerde Labradors met hun eigen Engelse jachthonden, om ze geschikt te maken als retriever van geschoten wild. In Schotland volgde de vijfde Duke of Buccleuch het voetspoor van Lord Malmesbury en samen legden zij de basis voor het ras Labrador Retriever. Lord Malmesbury fokte in 1885 de reu Avon en de teef Nell, die hij aan de zesde Duke of Buccleuch gaf, als basis voor diens kennels. Malmesbury Avon en Malmesbury Nell werden vervolgens ingeschreven als Buccleuch Avon en Buccleuch Nell. In navolging van de heren van Malmesbury en Bucchleuch gingen steeds meer adellijke personen zich bezighouden met het fokken van Labradors, waaronder de Engelse koninklijke familie, die hun kennels op het landgoed Sandringham hielden.  
. 
In een tijdsperiode van 65 jaar (van 1820 tot 1885) werden er honderden Labradors gefokt en er werd streng geselecteerd. Wanneer een hond niet voldeed werd hij weggegeven, doorgaans aan personeel of mensen uit de naburige dorpen. En zo kwam de Labrador al onder het bereik van "het gewone volk" nog voordat er een officieel stamboek bestond. Uiteraard kon men de beste Labradors alleen maar vinden in de kringen van de adel, en dat moest vooral zo blijven.  
. 
Sommige mensen denken dat alle tegenwoordige Labradors afkomstig zijn van slechts twee honden: Malmesbury Tramp (1878) en Malmesbury Juno (1878), maar dat is allerminst waar. Zoals gezegd, er waren destijd al honderden Labradors in de roulatie. In de databestanden van LabradorNet zijn 454 Labradors vermeld die als stamboomloze hond in het Engelse stamboek zijn ingevoerd, tussen 1902 en 1960. De werkelijke genetische basis van de hedendaagse Labradors is derhalve aanzienlijk breder dan door sommigen wordt verondersteld en in de databestanden zijn tienduizenden Labradors te vinden wier mannelijke bloedlijn niet begint bij Malmesbury Tramp en Malmesbury Juno.  
. 
Terug naar de adel. Weliswaar werden er in de eerste helft van de vorige  eeuw al af en toe Labradors vanuit Engeland geïmporteerd, voornamelijk voor de jacht, maar pas aan het eind van de jaren vijftig begon de Labrador zich in Nederland te ontwikkelen, onder de bezielende leiding van mensen als W. Quarles jonkheer Van Ufford (Varenhof kennel), Th. jonkheer Roëll (Berenpan kennel) en mevrouw A. Sauer- v.d. Sluys (Sabo kennel), die in 1956 de teef Wendover Delilah importeerde, in 1959 de reu Rodleigh en in 1960 de teef Wendover Meg. 
. 
Het spreekt voor zich dat dit adellijk gezelschap nauw betrokken was bij de oprichting van de Nederlandse Labrador Vereniging (NLV), op 10 oktober 1964. Het bestuur van de NLV bleef jarenlang een adellijke aangelegenheid. W.J.M. baron Van Tuyll van Serooskerken was in de eerste helft van de jaren tachtig voorzitter van de NLV en W.M. jonkheer Van Meeuwen aan het eind van de jaren tachtig. Dit estafettestokje werd later overgenomen door Roswitha Buytendijk-Lubbers, die zich vervolgens tientallen jaren sterk heeft gemaakt om ten koste van alles het elitaire en ondemocratische karakter van de NLV te behouden. 
. 
Van 1974 tot 1984 was ik amoureus gerelateerd aan een telg van de familie Van Tuyll en in 1984 sprak ik in die hoedanigheid met neef Willem (W.J.M. baron Van Tuyll van Serooskerken, de voorzitter van de NLV) over het fokbeleid van de vereniging. Willem had geen hoge pet op van de Nederlandse fokkers. "Je haalt een paar goede honden uit Engeland, die maak je kampioen, en de nakomelingen die je niet zelf wilt aanhouden komen bij het gewone volk terecht. Echt, wat dat volk met die honden doet wil je niet weten. Ze hebben geen benul waar ze mee bezig zijn. Ze zetten Koos van de Buitenplee op Truitje van de Boerenkoolhoeve en kassa."  
En tijdens de pauze van een ALV van de NLV, waar de fokkers van de vereniging voor de zoveelste keer monddood waren gemaakt, stelde Geert van Dee (Fogel Hlara), die Willem veel beter kende dan ik, hem de vraag: "Wat vind jij er nou van?" Willem antwoordde: "Geert, ik heb geen flauw benul waar het over gaat. Ik zit hier puur ter decoratie."  
. 
De Nederlandse elite hield zich aanvankelijk serieus bezig met het fokken van Labradors. Zij beschikten over de financiële middelen en de juiste connecties om goede honden uit Engeland te halen. Mevrouw A. Sauer- v.d. Sluys (Sabo kennel), bestuurslid van de NLV, fokte in 1966 uit de combinatie Sabo's Christiane en de import reu Sailor of Rockabee het Sabo's G-nest, met als bekendste nakomelingen Sabo's Giant en Gallant en mevrouw A.H. Kwint-Wiersum  (Sunny Loch kennel) fokte in 1969 uit Candlemas Oberon en de import teef Sunnybrae Lowhgowrae het Sunny Loch's C-nest. Uit dit nest kwamen vier kampioenen: Cider, Cedric Commander en Cherry.  
. 
Laten we bovengenoemde honden betrekken in ons onderzoek naar de inteeltcoëfficiënt binnen de NLV. Het Sabo's G-nest van NLV-bestuurslid Sauer had een IC van 14,3%. Candlemas Oberon had een IC van 10,2%. Het Sunny Loch's G-nest had een IC van 2,4%, maar het volgende K-nest (1982) had een IC van 16,5%. Al-Bliksum Ranie van de Rekels (1972), een zoon van Candlemas Oberon, had een IC van 14% en Moorhill's Moran (1978) uit de stal van de toonaangevende kennel Canis Frisiae, wiens grootouders Sunny Loch Cedric en Sabo's Giant waren, had een IC van 14,7%. Al deze honden waren kampioenen en tot "Beste van het ras" gekozen. (Alle hier genoemde IC's zijn berekend op basis van tien generaties.)          
. 
Nog een aantal IC-gegevens uit de periode 1965-1990 die betrekking hebben op Nederlandse Labradors: 
- Balnova Sultan: 17,4%. 
- Cranspire Skytrain: 15,9%. 
- Donalbain MacDuff: 16,2%. 
- Donalbain Shadow: 19,9%. 
- Fogel Hlara Gulliver: 15,7%. 
- Wetherlam Nutcracker: 17,5%. 
. 
De IC's van een aantal Labradors uit die periode die internationaal bepalend waren voor de hedendaagse Labradors: 
- Ardmargha Mad Hatter: 16,9%. 
- Ballyduff Marketeer: 11,5%. 
- Beechcroft Danish Skydiver: 14%. 
- Bradking Cassidy: 20,4%. 
- Cookridge Otter: 16,9%. 
- Fabracken Comedy Star: 12,1%. 
- Foulby Tittle Tattle: 16,7%. 
- Jayncourt Ajoco Justice: 13,6%. 
- Keysun Krispin of Blondella: 12,7%.  
- Kupros Master Mariner: 17,6%. 
- Rocheby Old Smokey: 16,6%.  
. 
Laat ons deze inteeltcoëfficiënten van 1965-1990 nu eens vergelijken met een aantal Labradors die thans op de dekreuenlijst van de NLV staan:  
- Banner's Lubberline Choc: 10,3%. 
- Denis de Scampy: 4,7%. 
- Eagertrieve's Jack Finch: 5,6%. 
- Fairywood's Aquarius: 8,6%.  
- Fogel Hlara's Harbour Light: 5,5%. 
- Naiken Xplorer: 5,2%. 
- Old Averest Yen-Fly Jason: 3,2%. 
- Rocheby Frosted Jack: 14,3%. 
- Sura of the Torngasak: 6,8%. 
- Tim aus Lühlsbusch: 7,1%. 
- Tullochmohr Fly The Flag: 6,1%. 
- Victor-Victoria's Indigo: 6,9%. 
- Withara's Sarah's Lovely Robin: 4,9%. 
. 
De eerste conclusie van dit onderzoek moet dus zijn dat de IC-cijfers in twee à drie decenniae enorm gedaald zijn.  
De NLV heeft dus geen enkele reden om zich zorgen te maken. Wanneer de NLV de aanvoer van fokmateriaal uit het buitenland niet in de weg staat door het instellen van een dekbeperking (die het zeer onrendabel maakt om een dure kwaliteitsreu te importeren), dan zullen de IC-cijfers in de komende jaren alleen nog maar verder dalen, ook zonder enig ingrijpen van de NLV.  
. 
De door de NLV georganiseerde lezingen over inteelt en dekbeperking zijn mosterd na de maaltijd. In de praktijk maken de bij de verenigingen aangesloten labradorfokkers al jarenlang gebruik van een variatie aan hooggekwalificeerde dekreuen in plaats van die ene kampioen. Het is zo jammer dat het NLV-bestuur zich laat voorlichten door mensen die de dagelijkse praktijk van de serieuze Nederlandse labradorfokkers niet kennen, die het juiste cijfermateriaal niet tot hun beschikking hebben en die daarom tot conclusies komen die kant noch wal raken. Het is vooral heel jammer dat het bestuur van de Nederlandse Labradorvereniging zelf geen enkel raakvlak heeft met de serieuze fokkers in de vereniging, dat men het contact met die leden al jaren geleden kwijt is geraakt en dat men nog steeds de mening van Willem van Tuyll (zie boven) lijkt te zijn toegedaan.    
. 
Ik ken een Labrador met een inteeltcoëfficiënt van 14,9%. Zijn naam is Prince (Country's Prince Charming) en hij heeft jarenlang gewerkt als reddingshond, o.a. bij de aardbeving in Armenië. Prince is een fantastische Labrador en om aan te tonen dat deskundig toegepaste lijnenteelt kwalitatief goede honden kan opleveren, vermeld ik hier het feit dat wetenschappelijk inmiddels is vastgesteld dat Prince zeer waarschijnlijk genetisch vrij is van heupdysplasie (*). Wanneer je nu een teef vindt die eveneens genetisch vrij van heupdysplasie is, kun je uit die koppeling alleen maar pups krijgen die eveneens genetisch vrij van heupdysplasie zijn. En wanneer je om dit te bereiken gebruik moet maken van lijnenteelt, of zelfs inteelt, dan ben ik daar voor 100% vóór. Nooit meer een Labrador met erfelijke heupdysplasie, elleboogdysplasie of andere ernstige genetische afwijkingen, wat zou het mooi zijn. Maar wanneer je daarbij gebruik zou maken van nauwe inteelt, zouden de Raad van Beheer en de NLV daar een stokje voor steken. Je zou voor die genetisch vrije pups bijvoorbeeld geen stamboom krijgen. Dat de Raad en de NLV daarmee hun eigen doelstellingen en bestaansrecht schenden, maakt hen kennelijk niets uit. Het inteeltcoëfficiënt is voor hen belangrijker dan genetisch gezonde honden.       
 
Last but not least moet me van het hart dat de "hoge" IC-cijfers die ik heb genoemd uit de periode 1965-1990 beslist niet negatief zijn. Oudere, ervaren fokkers onder ons weten dat het toepassen van lijnenteelt veel kennis en ervaring vergt. En vooral veel tijd. Voordat je eindelijk die ene fantastische reu of teef hebt gefokt, gaan er nog jaren van zorgvuldig fokken en zorgvuldig selecteren overheen voordat je de stap neemt om op die hond terug te fokken (lijnenteelt toe te passen). Selecteren betekent dat er in dat proces veel honden zijn afgevallen die uiteindelijk niet aan jouw criteria voldeden. Maar die ene die overbleef, dat was de kampioen, dat was de perfecte Labrador, zonder fysieke of psychische gebreken, de hond waar jij voor duizend procent achter stond.  
En al de hierboven genoemde kampioenen, zoals Kupros Master Mariner, Ballyduff Marketeer en Bradking Cassidy, zijn op die manier met veel succes gefokt. Niet door de adel, niet door bestuursleden van een uitermate bevoogdende labradorvereniging, maar door gewone mensen met hart voor hun hobby. 
. 
(*) Toelichting: Prince is opgeleid als speurhond bij aardbevingen en heeft dit werk zijn hele leven gedaan. Niet echt bevorderlijk voor de heupen van een hond, dus wanneer er bij Prince sprake zou zijn van omgevings-invloeden, zouden die na jaren op en in de puinhopen zeker aan het licht zijn gekomen.  
Prince' heupen werden voor het eerst onderzocht toen hij 11,5 jaar oud was. De uitslag A1 (geen officieel beoordelingsresultaat) kwam van Frank Coopman (voormalig beoordelaar Belgische commissie en berucht om zijn strengheid) en Bart Broekx van de universiteit van Gent, die op dit moment bezig zijn met een onderzoeksprogramma naar de genetische oorzaak van HD.  
Beide wetenschappers konden op basis van de A1 uitslag op leeftijd van 11,5 jaar en het allesbehalve heupenontziende leven van Prince voorspellen dat het zeer waarschijnlijk is dat Prince genetisch vrij is van HD, op basis waarvan hij is uitgenodigd deel te nemen aan het onderzoek in Gent. 
. 
. 
Jaap van der Wijk 
Rockanje, november 2011 
Click hier voor het artikel Inteeltcoëfficiënt voor Dummies
.
Wil jij ook de inteeltcoëfficiënt van je Labrador weten
of ben je nieuwsgierig naar de IC van een toekomstig nest?
Click dan hier en je weet het snel!
.
 
...
.
NIEUW!
Heb je vragen? Wil je graag en specifiek onderwerp aanroeren?
Ga dan naar het LabradorNet Forum!
.
 .
Deze website wordt onderhouden door Jaap van der Wijk
en gesponsord door Joe Batt's Arm Labradors.
 Bezoek onze sponsor