|
Book now direct with owner! |


Kinderen en honden
zijn niet hetzelfde. Een hond is aanmerkelijk minder intelligent dan een
kind van zes jaar. Een kind van zes begrijpt wat een verjaardag is en weet
dat hij niet elke dag jarig kan zijn. Die verjaardag is dus iets bijzonders,
waarop hij zich kan verheugen. Dit discriminerend denkvermogen gaat de
intelligentie van de hond te boven, en daarom dienen wij een hond anders
op te voeden dan een kind.
De hond denkt en communiceert
anders dan de mens. Wanneer hij plotseling, omdat hij `jarig' is of omdat
jij een bijzondere goede bui hebt, wel aan tafel mag meeëten, zal
hij daar eerst aarzelend en vervolgens volgaarne gebruik van maken. Maar
wanneer het de volgende dag niet meer mag, zal hij dit absoluut niet begrijpen,
in de war raken en onzeker worden. Onhandelbaarheid is doorgaans het gevolg
van inconsequentie.
De hond heeft een
opvoedingsstructuur nodig die wij, wanneer die opvoeding kinderen betrof,
als `star' zouden benoemen. `Ja' is altijd `ja', `nee' is altijd `nee'.
Onder zo'n regime gedijt de hond het best, want hij weet precies wat zijn
grenzen zijn en dat versterkt zijn zelfvertrouwen.
Gedragskenmerken
van de hond
Veel mensen zijn van
mening dat de wolf de voorvader van de hond is. Sommigen betwijfelen dit.
We kunnen echter veilig stellen dat de wolf en de hond een gezamenlijke
voorvader hebben en dat het gedrag van wolven in roedels ons veel kan leren
over het gedrag en de motivatie van onze gedomesticeerde hond.
De psyche van de hond
is het totaal van een aantal driften en reflexen. Bij het ene hondenras
zijn bepaalde driften (natuurlijke behoeften) sterker ontwikkeld dan bij
het andere hondenras, al naar gelang de functie van de hond, bijvoorbeeld
jachthond, verdedigingshond of schoothond. Uiteraard speelt het fokbeleid
een belangrijke rol bij het ontwikkelen of onderdrukken van bepaalde driften.
Een aantal belangrijke
driften en reflexen op een rij:
Zuigreflex
De oerdrift van pasgeboren
pups om te zuigen en slikken. Niet te verwarren met voedingsdrift, want
het pupje heeft nog geen idee dat hij moet eten om in leven te kunnen blijven.
Doelbewustheidsreflex
Dit is de reflex waarmee
de hond oorzaak en gevolg met elkaar in verband brengt. Als ik dit doe,
gebeurt er dat. Belangrijke motivationele factor.
Voedingsdrift
De drift om voedsel
te bemachtigen. Deze drift wordt bij de Labrador enigszins versterkt wanneer
de hond honger heeft. Of is het zo dat een Labrador altijd honger heeft?
Hoe dan ook, een belangrijke motivationele factor.
Geslachtsdrift
Dit is de drift om
de geslachtsdaad te bedrijven, welke voortplanting tot gevolg heeft. Het
is niet juist om van voortplantingsdrift te spreken, omdat de hond de gevolgen
van de geslachtsdaad (het verkrijgen van nageslacht) niet kan overzien.
Jachtdrift
De aangeboren drift
om op zicht of door reuk een prooi te zoeken, te achtervolgen, te doden
en op te eten.
Speurdrift
Dit is de drift waarmee
de hond een wildspoor of menselijk spoor volgt. De bereidheid om dit te
doen verschilt van ras tot ras en van hond tot hond.
Buitdrift
Deze drift, een verzamelreflex,
komt sterk tot uiting in het narennen, pakken en `doodschudden' van voorwerpen,
en ook in het slepen van voorwerpen naar het nest.
Zoekdrift
Terwijl bij de speurdrift
meer de neus wordt gebruikt, speelt bij de zoekdrift het oog en het oor
een grotere rol spelen.
Brengdrift
De brengdrift, eveneens
een verzamelreflex, komt tot uiting in de bereidheid van de hond om buit
op te pakken en mee te nemen naar het hol waarin zich de pups bevinden,
of, in bij onze gedomesticeerde hond, in de bereidheid om te apporteren.
Onderwerpingsdrift
Dit is de drift om
in leven te blijven en uit zich in de bereidheid om onderdanig te zijn
ten opzichte van hoger geplaatste wezens in de sociale hiërarchie.
Wanneer een hond deze
drift niet of onvoldoende heeft, zal hij in de roedel niet erg oud worden,
omdat zijn gedrag agressie bij de ranghogeren veroorzaakt.
Vluchtdrift
De drift van de hond
om in (levens)bedreigende situaties te vluchten.
Gestaltbenadering
Alle bovengenoemde
driften hangen nauw samen met de behoeften van de hond. De vluchtdrift
bijvoorbeeld is in feite de natuurlijke behoefte van de hond om in (levens)bedreigende
situaties te vluchten. De werking van deze behoeften wordt duidelijk gemaakt
met een tweetal begrippen uit de Gestaltbenadering: gestaltformatie
en gestaltdestructie.
Een voorbeeld: je
zit naar een spannende TV-film te kijken. De behoefte ontstaat om die film
tot het einde uit te kijken. (Dit is gestaltformatie.) Maar halverwege
de film krijg je ontzettende trek in een pilsje. Je zult dat pilsje zelf
moeten pakken en dat betekent dat je iets van de film moet missen. Op een
gegeven moment wordt de film even onbelangrijker dan het pilsje. Op dat
moment gebeurt er het volgende: er ontstaat gestaltdestructie ten
aanzien van de behoefte om naar de film te kijken en gestaltformatie
ten aanzien van de behoefte aan het pilsje. Zodra je je pilsje drinkt en
de film verder kijkt, ontstaat het omgekeerde proces: gestaltdestructie
ten aanzien van het pilsje en gestaltformatie ten aanzien van de
film. De behoefte van het pilsje drinken is immers bevredigd en die van
het film kijken nog niet.
Zo werkt het ook bij
de hond. Een behoefte die niet wordt bevredigd zal blijven bestaan. Er
vindt dan geen gestaltdestructie van die behoefte plaats, hetgeen de gestaltformatie
van een andere behoefte soms bemoeilijkt.
Wanneer een behoefte
niet wordt bevredigd, ontstaat frustratie. Een hond die altijd zijn zin
krijgt kent dus geen frustratie en kan daar niet mee omgaan. Hij heeft
een lage frustratietolerantie, en dat kan veel problemen opleveren.
Een hond die regelmatig zijn zin niet krijgt, weet wat frustratie is en
kan daar mee omgaan. Daarom is het zeer belangrijk om de hond regelmatig
zijn zin niet te geven, om hem te frustreren, zodat zijn frustratietolerantie
hoger wordt. Dit voorkomt ook dat de hond zich dominant ten opzichte van
jou gaat gedragen.
Natuurlijk
gedrag en aangeleerd gedrag
Men kan het gedrag
van de hond grofweg onderscheiden in aangeleerd gedrag en natuurlijk gedrag.
Aangeleerd gedrag is niet alleen wat wij, de mensen, de hond hebben aangeleerd,
maar ook al het geconditioneerde gedrag dat is ontstaan in de wisselwerking
met andere dieren en externe factoren als verkeer, milieu en techniek.
Natuurlijk gedrag is al het gedrag dat de hond vertoont op basis van het
aanwezig genetisch materiaal, waaronder de bovengenoemde driften. Uiteraard
beïnvloeden natuurlijk gedrag en aangeleerd gedrag elkaar.
In feite is er sprake
van een soort schizofrenie. Een hond zal in de roedel heel ander
gedrag vertonen dan individueel in de omgang met de mens. Degene die meent
zijn hond van haver tot gort te kennen, zou deze hond eens deel moeten
laten uitmaken van een natuurlijke of semi-natuurlijke roedel. Hector,
die thuis geen vlieg kwaad doet en met Flappie het konijn in één
mand ligt, wordt plotseling een wild verscheurend beest dat tijdens de
gezamenlijke jacht van de roedel op konijnen een konijn letterlijk met
huid en haar, met botten en al, verslindt, binnen een minuut, terwijl hij
nog geen half uur daarvoor lekker heeft gegeten. Thuisgekomen vleit hij
zich vredelievend naast de nietsvermoedende Flappie neer. Flappie moest
eens weten...
Elke hond heeft dus
Jekyll en Hyde in zich. Het deel uitmaken van de roedel "triggert"
het natuurlijke gedrag van de hond, waardoor het door de mens aangeleerde
gedrag even wordt vergeten.
Hoe meer het natuurlijk
gedrag van een hond wordt onderdrukt, hoe minder hij dit gedrag zal vertonen.
Maar om het te kunnen onderdrukken, zal hij het toch eerst moeten vertonen,
en aangezien de hond intelligent is, zal hij dit op een gegeven moment
niet meer doen, want het is niet leuk om bestraft te worden. Dat wil echter
niet zeggen dat de neiging om het natuurlijk gedrag te vertonen is verdwenen.
In de roedel komen al die latent aanwezige neigingen weer boven.
Twee honden die in
huis met elkaar zijn opgevoed door de mens, zullen ten opzichte van elkaar
minder natuurlijk gedrag vertonen dan honden die in de roedel zijn opgegroeid,
afhankelijk van de invloed van de mens op dit natuurlijk gedrag. In zijn
opvoeding van de hond bouwt de mens een aantal onnatuurlijke `remmen' in
het gedrag van de hond. Dit mag niet, dat mag niet. Een voorbeeld: een
teef die hondenpoep eet, zal dit gedrag met alle mogelijke middelen worden
afgeleerd, want het is in onze ogen een smerige gewoonte, en je schaamt
je toch rot als de buurvrouw het ziet. Maar diezelfde teef komt waarschijnlijk
in zeer grote psychische moeilijkheden wanneer zij pups werpt, want het
natuurlijk gedrag van de teef is het opeten van de ontlasting van de pups,
terwijl haar dit nu juist is afgeleerd. Frustratie alom.
Een ander voorbeeld:
een ervaren teef, opgegroeid in de roedel, bijt een twee dagen oude pup
(van een andere teef) dood. Reactie van de mens: ongeloof, frustratie,
zelfs agressie. Die rothond! Vervolgens blijkt uit de autopsie dat de pup
een open gehemelte en maar één long had. De teef heeft dus
een natuurlijke selectie toegepast, op een pup die nauwelijks levensvatbaar
was. Zij had dit waarschijnlijk niet gedaan wanneer de mens haar had aangeleerd
om te allen tijde `lief' te zijn voor kleine hondjes, liever gezegd wanneer
de mens haar had afgeleerd om op een natuurlijke wijze met honden om te
gaan.
De teef in dit voorbeeld
staat dus nog tamelijk dicht bij de natuur.
Inclusiebehoefte
De hond is een sociaal
dier. Hij leeft in een groep (roedel). Bij de meeste gedomesticeerde honden
is het gezin de roedel. De gedomesticeerde hond is bovendien gefokt op
zijn aanhankelijkheid ten opzichte van de mens. Naast de bovengenoemde
driften (reflexen) speelt de inclusiebehoefte (de behoefte van de hond
om ergens bij te horen, ergens deel van uit te maken), een belangrijke
rol in de opvoeding van de hond. De natuurlijke inclusiebehoefte van de
hond geldt echter in de eerste plaats voor zijn soortgenoten; hij wil graag
deel uitmaken van een hondengemeenschap. Bij gebrek daaraan zal hij zich
schikken en zijn lot en met verve deel uitmaken van de plaatsvervangende
roedel: het mensengezin.
Bij pups die in de
inprentingsfase weinig of geen sociaal contact met de mens hebben gehad,
zal de inclusiebehoefte afwezig zijn of zeer slecht zijn ontwikkeld. Wij
spreken dan van het kennelsyndroom.
Operante
conditionering
De driften en behoeften
van de hond vormen de motivationele factoren bij de opvoeding van de hond.
Dit leerproces vindt i.v.m. de werking van de psyche van de hond doorgaans
plaats door middel van operante conditionering.
Operante conditionering
(ook wel `instrumentele conditionering' genoemd) is een vorm van trial
and error learning, dat wil zeggen de hond vertoont gedrag en dat gedrag
levert iets positiefs of iets negatiefs op (effect). Zolang het gedrag
iets positiefs oplevert zal het gedrag worden herhaald, zodra het iets
negatiefs oplevert zal het gedrag - al dan niet onmiddellijk - worden gestaakt.
In een normaal gezin is er voor de hond niet zoveel te beleven. Hij zal
nu pogingen ondernemen om wat meer leven in de brouwerij te brengen, dus
vertoont hij bepaald gedrag. De ene keer doet hij iets verkeerds en dan
volgen er moppers (negatieve bekrachtiger). De andere keer doet hij iets
goeds en volgen er lovende woordjes en voedsel. Omdat dit positieve bekrachtigers
zijn, wordt de `goede-gedrag-respons' voortdurend versterkt. Bekrachtiging
(goedkeuring of afkeuring) is dus onmisbaar. Deze methoden van operante
conditionering worden in de psychologie ook operante beloningsconditionering
(d.m.v. beloning) en aversieve operante conditionering (d.m.v. straf) genoemd.
Wanneer wij absoluut zeker weten dat de hond een bepaald commando kent,
maar hij weigert het commando op te volgen en wij staan erop dat hij dat
toch doet, dan noemen wij het uiteindelijk opvolgen van dit commando een
positieve ontsnappingsreactie. De hond vindt het kennelijk
niet prettig om het commando uit te voeren, maar vindt jouw afkeurend gedrag
nog minder prettig, dus zal hij uit deze situatie `ontsnappen' door het
commando dan toch maar op te volgen. Geef nooit een commando zonder dat
je zeker weet dat de hond het commando kan opvolgen. Heb je eenmaal een
commando gegeven, dan moet je er ook voor zorgen dat de hond het commando
daadwerkelijk opvolg, dat je het commando bekrachtigt. En dat dit voor
de hond een prettige gewaarwording is. Anders is de kans groot dat de hond
het volgende leert: `als het baasje iets van mij wil, hoef ik dat niet
te doen, want er staat geen sanctie op als ik het niet doe. Dus waarom
zou ik?' En ook dat is een ontsnappingsreactie, maar wel een die niet leidt
tot vertoning van het gewenste gedrag, dus een negatieve ontsnappingsreactie.
Als spelen met Fik van de buren leuker is dan bij jou komen, dan moeten
wij ervoor zorgen dat bij jou komen leuker is dan spelen met Fik van de
buren. Anders wordt bij jou komen een straf (waarvoor? wat heb ik gedaan?)
en dat is funest bij de opvoeding van de hond. Voedsel kan hierbij een
belangrijke rol spelen, ook al is het maar een brokje. `Overdreven' prijzen,
met hoge stem, werkt eveneens erg goed. Een combinatie van de twee methoden
werkt het best, maar zodra de conditionering is geslaagd, kun je het voedsel
achterwege laten. Wel blijven oefenen!
Elke keer dat de de
juiste respons optreedt en gevolgd wordt door een beloning, is er sprake
van leren.
Omdat wij niet in
staat zijn om de gevoelens van de hond te interpreteren, zullen wij slechts
af moeten gaan om het uiterlijk gedrag van de hond, waaronder de wijze
waarop staart en oren worden gedragen. Daaruit kunnen wij opmaken of de
hond blij, dominant, agressief of bang is, hetgeen zeer belangrijk is bij
de opvoeding van de hond. Uiterlijk gedrag is hier dus het meetinstrument,
niet onze interpretatie van de gevoelens, want dat is antropomorfisme.
Een hond is een intelligent
dier en leert snel. Maar er zijn factoren die het leerproces versnellen,
namelijk door middel van het toedienen van voedsel als beloning. Daarbij
is het volgende van belang:
1. De hoeveelheid
voedsel (hoe meer voedsel, hoe sneller er wordt geleerd)
2. De aard van het
voedsel (hoe lekkerder het voedsel, hoe sneller er wordt geleerd)
3. De inspanning die
moet worden verricht om het voedsel te verkrijgen (hoe minder de inspanning,
hoe sneller er wordt geleerd).
4. Beloning van het
gewenste gedrag leidt tot betere effecten dan bestraffing van het ongewenste
gedrag.
5. (Als er al wordt
gestraft) Een effectieve straf is intens, wordt meteen en consistent toegediend
(heterdaadje!) en wordt beslist niet met een positieve bekrachtiging
geassocieerd.
Tijdens het operante
conditioneren (het leerproces) valt ons het volgende op:
1. Een hond die heeft
geleerd dat bepaald gedrag (van hemzelf of van een ander wezen) in een
bepaalde situatie altijd iets positiefs oplevert (continue bekrachtiging),
is verwachtingsvol, koestert hoop, na vertoning van dit gedrag in die situatie.
Dit valt onder meer op te maken aan de frequentie van het kwispelen en
de stand van de oren.
2. Wanneer de verwachte
beloning uitblijft, toont de hond zich teleurgesteld. (Er is dan sprake
van partiële of intermitterende bekrachtiging.)
3. Een hond die heeft
geleerd dat bepaald gedrag (van hemzelf of van een ander wezen) in een
bepaalde situatie iets negatiefs oplevert, toont zich angstig of onderworpen
na vertoning van dit gedrag in die situatie.
4. Wanneer de verwachte
straf uitblijft, toont de hond zich opgelucht.
5. Continue bekrachtiging
(dus altijd belonen van bepaald gewenst gedrag en altijd
bestraffen van bepaald ongewenst gedrag) werkt bij de hond aanmerkelijk
beter dan partiële bekrachtiging.
Extinctie
Een van de basisprincipes
van het operante conditioneren is Thorndike's Wet van het Effect:
responsen die voldoening gevende gevolgen teweegbrengen zullen herhaald
worden, responsen die onbevredigende gevolgen teweegbrengen zullen niet
herhaald worden.
Een ander basisprincipe
is het feit dat wanneer een bekrachtiger niet langer wordt toegediend (dit
noemen wij extinctie), de aangeleerde respons uiteindelijk zal verdwijnen.
Het middel extinctie wordt gebruikt om ongewenst gedrag af te leren. Voorbeeld:
hond vraagt aandacht en krijgt moppers (= aandacht). Het negeren van het
gedrag (niet langer toedienen van de bekrachtiger moppers) zal leiden tot
verdwijning van het gedrag.
Sneller en beter werkt
het wanneer wij niet alleen het ongewenste gedrag niet langer bekrachtigen,
maar tegelijkertijd het alternatieve, meer gewenste gedrag belonen. Dit
noemen wij differentiële bekrachtiging.
Consequent omgaan
met de hond leidt altijd tot de beste resultaten. De extinctie van een
continue bekrachtiger leidt tot betere resultaten dan de extinctie van
een partiële bekrachtiger.
Voorbeeld: Twee
honden werden aan tafel gevoerd. De één altijd, de ander
zo nu en dan. Beide honden vertonen `schooigedrag' als gevolg van de continue
en partiële bekrachtiging.
Vraag:
Welke hond zal nog lang doorgaan met het schooigedrag wanneer wij overgaan
tot extinctie?
Antwoord: De
hond die zo nu en dan aan tafel werd gevoerd, omdat een organisme dat getraind
werd met een partieel bekrachtigingsschema geleerd heeft dat er nog bekrachtiging
kan volgen nadat zijn gedrag een aantal malen niet is bekrachtigd. Dit
noemen wij het extinct-effect van de partiële bekrachtiging.
Shaping
Shaping is vorming
via successieve benaderingen. Dit gebeurt wanneer bepaald gewenst gedrag
niet in één keer kan worden geleerd. Bij het shapen komen
wij telkens een stapje dichter bij ons doel en wordt de hond gradueel gevormd.
Op deze wijze kunnen wij de hond allerlei trucs leren.
Putting through
Bij deze vorm van
leren wordt fysieke kracht gebruikt, bijvoorbeeld bij het leren zitten
van de hond. Wij drukken hem zacht in de zitpositie en zeggen tegelijkertijd
`zit'. Als de hond zit wordt het gewenste gedrag beloond. Eigenlijk is
het een eenvoudige vorm van shaping.
Associatief
leren
Een goede aanvulling
op de operante conditionering is het associatief leren. Het commando `vooruit'
is bijvoorbeeld moeilijk aan te leren d.m.v. de trial and error methode
van de operante conditionering, omdat de hond van je af i.p.v. naar je
toe gaat. Maar door middel van het associatief leren is dit commando goed
aan te leren. Het gemakkelijkste is het wanneer je een hond meeneemt die
het commando `vooruit' al kent. In dat geval geef je beide honden het commando
`vooruit'. De hond die het commando kent snelt vooruit, de andere hond
snelt erachteraan. Dan is de hond vreselijk braaf. Na enkele keren zal
hij het commando `vooruit' associëren met het vooruit snellen. Ook
zonder een andere hond is het commando aan te leren. 's Morgens, voordat
je de hond uitlaat, maak je zijn eten klaar, waar hij bij is. Dan laat
je de hond uit. Je houdt hem steeds dicht bij jou in de buurt, maar de
laatste honderd meter laat je de hond gaan. Die weet dat er eten op hem
staat te wachten en snelt vooruit. Dan roep je direct een aantal keren
`vooruit' en vervolgens `braaf!!!'. Na enkele keren heeft de hond het commando
geassocieerd met het vooruitsnellen.
De hond is een associatiedenker
bij uitstek. Elk commando, elke bestraffing, zal worden geassocieerd met
het actuele gedrag. Dus wanneer de hond de kat van de buren staat te vervreten
en jij roept `Kom hier', en de hond komt en jij scheldt de hond verrot,
dan zal de hond deze afstraffing associëren met het hier komen en
niet met het vervreten van de kat. Gevolg: als jij weer `Kom hier' roept
zal de hond verwachten dat hij verrot gescholden wordt, en zal hij niet
zo snel komen.
Een hond kan slechts
bestraft worden voor actueel gedrag, met andere woorden: wanneer je hem
op heterdaad betrapt. Niet alleen heeft het geen enkele zin, maar het is
ook nog eens zeer slecht voor je relatie met de hond wanneer je de hond
bestraft voor iets wat hij tien minuten, een uur of een halve nacht geleden
heeft misdaan.
Dat betekent dat je
bepaald ongewenst gedrag soms moet ensceneren, om de hond toch op heterdaad
te kunnen bestraffen.
Een gouden stelregel:
de hond leert tien keer beter door beloning van het gewenste gedrag dan
door bestraffing van het ongewenste gedrag.
.
.
Toepassing van
de psychologie
Een recent voorbeeld:
van al onze Labradors is Whoopy de enige die blaft als er niet echt onraad
is. 's Morgens vroeg, als mijn vrouw en ik nog in bed liggen, begint ze
daar mee.
Ik ervaar dat als
hinderlijk gedrag, want ik wil de relatie met mijn buren graag goed houden.
Nu vermoedde ik dat het geblaf voortkwam uit een bepaalde behoefte: stimulus
is honger of de behoefte om uitgelaten te worden, respons
is blaffen, want dan komt Jaap z'n bed uit, word ik uitgelaten en krijg
ik eten.
Totdat mijn vrouw
twee dagen achter elkaar een vroege dienst had en Whoopy niet blafte. Ik
moest mijn mening herzien. Het probleem was iets minder simpel. Paddy,
onze kat, moet op elk gewenst moment van de dag naar buiten kunnen, want
anders wordt hij stapelgek. Dus zetten wij hem 's avonds buiten de deur.
's Morgens vroeg wil hij weer naar binnen en begint hij luidkeels te miauwen.
Toen mijn vrouw vroege dienst had liet zij Paddy heel vroeg binnen, bleef
het gemiauw achterwege en blafte Whoopy niet. Stimulus
was dus: Paddy's gemiauw, respons was Whoopy's blaffen
(want dan doet Jaap de deur open en houdt het vervelende gemiauw op?).
Toen ik dat wist lag
de oplossing van het probleem voor de hand: een kattenluikje. En inderdaad,
het probleem is opgelost.
Alvorens wij het ongewenste
gedrag van de hond aanpakken, moeten wij erachter zien te komen welke stimulus
de respons van het ongewenste gedrag veroorzaakt. En die stimulus is niet
altijd de meest voor de hand liggende.
Vervolgens dienen
wij ons af te vragen welke drift ten grondslag aan het ongewenste gedrag
ligt. Is dat een doelbewustheidsreflex? Dan dient het doel te worden weggenomen.
Zodra het doel wordt weggenomen en consequent weg blijft, zal het ongewenste
gedrag gaan verminderen.
Wanneer je de drift
kunt benoemen, is de helft van de oplossing van het probleem al geproduceerd.
Maar kijk uit dat het gedrag niet doorslaat naar de andere kant. Je kunt,
met veel geduld, de onderwerpingsdrift van de hond verminderen, maar dat
houdt vrijwel automatisch in dat de dominantie van de hond wordt versterkt.
Vraag je eerst af of dat wel de bedoeling is.
.





