Verzorging
van de pup
1. ETEN EN DRINKEN
Bij de verzorging beginnen
we bij de primaire levensbehoeften van de hond: voer en drinken - en waar
het in moet worden opgediend.
Voer-
en drinkbakken
U kunt natuurlijk
schaaltjes of kommen gebruiken die u voor eigen gebruik al in de kast hebt
staan. Nadeel is dat deze vaak gemakkelijk omvallen of kapotgaan. Bij de
dierenspeciaalzaak is er nogal wat te koop op dit gebied. Belangrijke aspecten
bij uw keuze zijn:
-
stabiliteit - valt het
niet te gemakkelijk om;
-
stevigheid - kan mijn
hond er zijn tanden in zetten;
-
gewicht - kan/wil de hond
er mee gaan sjouwen (halfvolle waterbak!); en
-
hygiëne - is het
gemakkelijk schoon te maken.
Honden hebben over het
algemeen een heel wat sterkere maag dan wij. Ook zij kunnen echter infecties
of voedselvergiftiging oplopen via vuile voer- en drinkbakken. Zorg er
dus voor dat beide geregeld worden schoongemaakt.
Voerkeuze
Over het beste voer
voor de hond zult u van bijna iedereen die u daarnaar vraagt (dierenartsen,
fokkers, etc.) een andere mening horen.
Zelf samenstellen:
Uiteraard kunt u zelf het voer samenstellen, bestaande uit oud bruin brood,
vlees, groente, aangevuld met vitaminen en mineralen. Maar in de hondenvoeding
zijn de verhoudingen tussen de voedingsmiddelen onderling haast nog belangrijker
dan de hoeveelheden op zich, daarom is het zelf samenstellen van hondenmenu's
erg moeilijk. Een teveel van het een kan een tekort van het andere veroorzaken.
Klopt er iets niet met de verhoudingen, dan benadeelt dat de groei en gezondheid
van de hond. We zien dan bijvoorbeeld een verkeerde stand van de poten,
een doorgezakte of kromme rug, een doffe vacht (geen glans), enz.
Compleet,
kant-en-klaar voer: Een stuk gemakkelijker en eigenlijk ook
beter is het, de hond een compleet voer (diner of brokken), diepvriesvoer
of een goed merk blikvoer te geven (blikvoer is in verhouding duurder,
omdat het voor 80% uit water bestaat). In de dierenspeciaalzaken en bij
dierenartsen zijn diverse goede merken te koop, die ieder een aantal lijnen
met verschillende samenstelling voeren, aangepast aan de diverse levensfases
van de hond of aan zijn energiebehoefte: puppy, volwassen hond, oude hond,
te dikke hond. Omdat droogvoer arm is aan onverzadigde vetzuren, geeft
u de hond dagelijks een eetlepel maïs-, zonnebloem- of sojaolie over
zijn eten. Vetten zijn erg belangrijk voor de conditie van huid en haar.
Wilt u wisselen van merk voer, doe dit dan zeer geleidelijk over een periode
van ongeveer 1 week door steeds meer van het nieuwe voer door het oude
te mengen. Verloopt de overgang te snel, dan is diarree vaak het gevolg.
LET OP! Begin
nooit zonder overleg met de dierenarts met extra kalk of met vitamine-
en mineralenpreparaten, zoals Gistocal.
Hoeveelheden
Bedenk dat u eerder
te veel dan te weinig voert en dat alle extra gewicht zwaar drukt op het
skelet van de (jonge) hond. Controleer regelmatig of de hond niet te dik
wordt. Hij is in een goede conditie wanneer u zijn ribben net niet kunt
zien, maar wel (goed) kunt voelen. Puppy's
groeien explosief. Hun geboortegewicht verdubbelt in enkele dagen. Na vier
weken hebben ze zelfs al het viervoudige van hun geboortegewicht bereikt.
Zeker de eerste drie maanden (voor de kleine rassen) tot zes maanden (grote
rassen) is de groei spectaculair sterk. Voeg daarbij hun enorme activiteit
en het is duidelijk dat ze een hoogwaardige en energierijke voeding nodig
hebben.
Als de hond zijn eten
niet meteen opeet, laat het dan nog 15 minuten staan. Daarna neemt u de
bak weg, leeg of niet leeg. Tot de volgende maaltijd krijgt de hond dan
niets meer! Op die manier leert hij vlot te eten en wordt hij geen kieskauwer.
LET OP! Ga
nooit vlak na de maaltijd met de hond spelen of een stevige wandeling met
hem maken. Laat de hond na iedere maaltijd minstens een uur rusten, alvorens
met hem te gaan wandelen.
Een pup zal echter
direct na de maaltijd altijd wel even naar buiten moeten om zijn behoefte
te doen.
Drinken
Denk er ook aan dat
de hond altijd vers water moet kunnen drinken. Een hond die veel droogvoer
eet, heeft meer water nodig dan een hond die voedsel krijgt dat veel vocht
bevat, zoals bijvoorbeeld pens of blikvoer.
Na een stevige wandeling
of zware training mag u de hond beslist niet te veel water ineens laten
drinken. Kleine beetjes tegelijk en liefst lauw water. Pas na ongeveer
tien minuten, als zijn hartslag weer wat tot rust is gekomen, kunt u hem
vrijuit laten drinken.
LET OP! Als
de hond zonder aanwijsbare reden (bijvoorbeeld ander voer) meer of juist
minder gaat drinken, is het raadzaam een bezoek aan de dierenarts te brengen.
Hierover leest u meer in het onderdeel Gezondheid. Overigens, als de hond
meer drinkt, betekent dit ook dat hij meer urine produceert, meer moet
ophouden en dus vaker uit moet. Hij moet dat vocht immers ook weer kwijt.
Denk nu niet dat u hem dan maar minder water moet laten drinken. De hond
heeft deze grote hoeveelheden water namelijk meestal hard nodig, anders
vraagt zijn lichaam er niet om. De dierenarts kan u meer vertellen over
de oorzaak.
2. BEWEGING
Uitlaten, spelen, sporten,
allemaal zaken waar de hond u heel dankbaar voor is als u dit geregeld
met hem doet. Maar wat voor materiaal moet je daarbij gebruiken? Mag je
met de pup al een lekkere lange strandwandeling doen? Waar moet je voor
uitkijken?
Wat moet u aanschaffen
Bij de dierenspeciaalzaak
is ook op dit gebied de keus bepaald overweldigend. Allerlei soorten riemen,
halsbanden, combinaties daarvan, tuigjes, (rol)lijnen... en dan
heb ik het nog niet eens over speeltjes gehad!
Voor het uitlaten
en later ook voor gehoorzaamheidscursussen is een goede basisuitrusting
de volgende:
-
een eenvoudige leren lijn
van ongeveer 1,20 m lang;
-
een goed passende leren
halsband.
Later kan daar nog een
goed passende slipketting aan worden toegevoegd. "Goed passend" houdt in:
de omtrek van zijn nek plus 3 tot 5 cm. Maar omdat uw hondje waarschijnlijk
nog heel veel zal groeien, kunt u met de aanschaf beter even wachten tot
het echt noodzakelijk is. Voorlopig hebt u hieraan echt voldoende.
Speeltjes
zijn er in de dierenwinkel te kust en te keur. Uw pup heeft echter lang
niet altijd speeltjes uit de winkel nodig. Een hond is vaak al dol te maken
met (lege) rolletjes WC-papier of een geknoopte sok, eventueel met een
bal erin, een bal aan een touwtje, een dik stuk touw (ook weer met knoop)
of een stuk spijkergoed. Om op te knagen wordt bijvoorbeeld een kalfshoefje
en een gekookte runderschenkel zeer op prijs gesteld (hoe langer je zo'n
bot kookt, hoe harder het wordt). Geef geen kippen- of varkensbotjes! Geef
ook niet te veel speelgoed tegelijk, zodat u van tijd tot tijd kunt afwisselen.
Verandering van spijs...
Spelen en wandelen
Honden vinden het
heerlijk om iets te doen te hebben, vooral als dat samen met de baas gebeurt.
Maak hier gebruik van. Veel spelen (u wint altijd!) is zelfs van het grootste
belang voor een goed contact met de hond, maar ook als u hem iets wil bijbrengen.
Spelenderwijs gaat dit altijd makkelijker (zie ook Beloningen, blz. 31).
En lekker uren op
pad met de baas, bazin en/of het hele gezin, of het nu wandelend is of
mee rennend naast de fiets, iets fijners bestaat er voor uw volwassen hond
niet. Maar kijk uit, want voor een jonge hond geldt heel wat anders...
Overdaad schaadt
De jonge hond heeft
echter zeer veel rust nodig. Hij heeft nog bijna al zijn energie nodig
om te groeien. Bovendien heeft hij nog zwakke botten en gewrichten. Deze
bereiken pas hun volle stevigheid als de hond volgroeid is. Voor die tijd
kunnen te veel of verkeerde beweging(en) problemen veroorzaken waarvan
de hond vroeg of laat behoorlijk last krijgt.
Laat hem dan ook rustig
liggen als hij slaapt. Als hij wakker wordt, begint hij vanzelf weer te
spelen. Zeg dit ook tegen de kinderen!
Tot de leeftijd van
5 à 6 maanden mag hij niet te veel lopen, vijf keer een wandeling
van een kwartiertje is meer dan genoeg en veel beter dan bijvoorbeeld een
halfuur achter elkaar. Na 6 maanden kunnen de wandelingen wat langer worden.
Ga ook met uw pup af en toe naar een plaats waar hij veilig los kan en
kan spelen met leeftijdgenootjes of andere honden. Voor hij alle entingen
heeft echter niet op zogenaamde "uitlaatveldjes" (zie Inentingen en De
socialiseringsfase).
Er zijn nogal wat
meer soorten beweging die u bij de pup en de jonge hond moet zien te vermijden:
-
spelen en rennen op gladde
vloeren;
-
spelen met teveel abrupte
wendingen;
-
traplopen;
-
springen;
-
lopen en rennen op los,
mul zand (strand!);
-
mee joggen;
-
mee naast de fiets (het
mag hem wel al geleerd worden, maar hele kleine stukjes, terwijl u de fiets
aan de hand houdt, om hem een idee te geven wat de bedoeling is);
-
bovenop de heupen drukken
om hem tot zit te bewegen (beter is met uw hand in zijn knieholten - onder
zijn billen - te drukken terwijl u hem aan zijn halsband voorzichtig achterover
trekt in de zithouding).
Overigens weet uw pup
zelf beslist niet altijd wanneer hij moet stoppen. Als u vermoedt dat het
beestje doodmoe moet zijn, omdat hij al een paar uur flink in de weer is,
dan kunt u hem rustig in zijn mand leggen - verplicht moe!
3. DE SLAAPPLAATS
De slaapplaats moet
warm, vocht- en tochtvrij zijn. De slaapgelegenheid van de hond moet regelmatig
schoon (kunnen) worden gemaakt. Het zijn namelijk bij uitstek geschikte
broedplaatsen voor ongedierte (o.a. vlooien).
De mand of bench
moet liefst op grond van deze vereisten worden uitgekozen. Bij een mand
bestaat bovendien het gevaar dat de pup zijn tanden er op uitprobeert.
De mand mag hierbij dus geen gevaar opleveren. Kortom, de vereisten van
een mand:
-
warm;
-
tochtvrij;
-
vochtvrij;
-
gemakkelijk schoon te
maken;
-
niet gemakkelijk aan te
knagen.
Een kamerkennel of bench
is een kooi waarin de hond in de (woon)kamer kan worden opgesloten. Dergelijke
hondenverblijven zijn er in kunststof en in metaal.
Kamerkennels hebben
een aantal grote voordelen:
-
Ze vergemakkelijken het
zindelijk maken van de pup. Een pup bevuilt zijn eigen nest in principe
niet. In de kennel moet hij dus alles wel ophouden (tenzij u hem laat "overlopen",
hij kan er natuurlijk niet oneindig lang in zitten). Gebruik eventueel
een doos om overtollige ruimte op te vullen.
-
De hond zal sneller in
slaap vallen als u hem opsluit wanneer hij eigenlijk heel moe is, maar
het zelf nog niet wil weten.
-
Dankzij de kennel voorkomt
u verkeerd gedrag, zoals het aanknagen van uw tapijten, schoenen of stoelpoten
tijdens uw afwezigheid of als u even niet kunt opletten.
Veel mensen vinden een
bench "zielig". De meeste honden vinden het echter een prettig onderkomen.
Als het de enige eigen plek van de hond is, en zeker als u hem er in het
begin zijn voer in geeft, went hij er heel snel aan. Voor hem voelt het
zelfs veiliger aan dan een gewone open mand. Door hem er iedere dag iets
langer in op te sluiten, evenals 's nachts, leert hij dit vanzelfsprekend
te vinden. Leg er overigens altijd een (knaag)speeltje in en een bak met
wat vers water. Zoals bij een gewone mand moet u natuurlijk voorkomen hem
voor straf naar zijn plaats te sturen. Als u hem er op deze manier aan
laat wennen, zal hij echt niet zielig zijn, maar zelfs weltevreden de kennel
in gaan als u hem dat zegt. En u kunt hem er weltevreden weer uithalen,
omdat hij achter uw rug om geen kattekwaad heeft kunnen uithalen.
Mand en kamerkennel
mogen overigens gerust op de groei worden gekocht (voor de kamerkennel
geldt dat de volwassen hond erin moet kunnen staan en languit kunnen liggen).
Voor uw portemonnaie is het zelfs aan te raden. Voor de plaatsing zal de
voorkeur van de hond uitgaan naar een plek uit de loop, waar hij zich veilig
voelt (meestal in een hoek), maar waarvandaan hij wel alles kan volgen.
Als "vulling" kan een kussen of deken dienen. Zorg er ook hier weer voor
dat het makkelijk schoon te houden is.
Overigens, de mand
is de veilige plek van de hond, waar deze niet te veel gestoord moet worden.
Dit geldt zeker voor kinderen. Accepteer echter nooit dat de hond zijn
mand verdedigt door naar u te grommen of erger, met de redenering "ja maar
het is ook eigenlijk zijn eigen huisje, dat mag hij doen". U bent namelijk
de baas in huis!
4. UITWENDIGE VERZORGING
Optillen
Bij het verzorgen
van een hond en bij dierenartsbezoek kan het nodig of handig zijn de hond
op te tillen. Iets dat u daarbij zeker moet vermijden, is de hond aan zijn
voorpoten op te tillen. Hiermee kunt u hem veel pijn doen en zelfs blijvend
letsel toebrengen aan zijn spieren. Een kleine hond is natuurlijk iets
makkelijker op te tillen dan een Sint Bernard. Maar hoe doe je het met
de minste risico's? Bij de uitleg van de eerste twee hondenmaten ga ik
ervan uit, dat u de voorkant van de hond met uw rechterhand/-arm, en de
achterkant van de hond met uw linkerhand/-arm optilt.
De kleine hond: Bij
een kleine hond kunt u de rechterhand net achter de voorpoten leggen, waarbij
u de linkervoorpoot bij de oksel pakt. Met uw linkerhand "schept" u als
het ware de achterpoten op, zodanig dat de hond op uw hand "zit". Hierbij
houdt u de linkerachterpoot vast. Doordat u beide buitenste poten vast
hebt, kan de hond niet per ongeluk uit uw armen springen.
De grote hond: De
grote hond kunt u oppakken door met uw rechterarm net achter de voorpoten
de voorkant van de hond iets op te tillen, waarna u met uw linkerarm in
de knieholten aan de achterhand de hond min of meer opschept.
De zeer grote hond:
Deze hoeft, gezien zijn formaat, in de praktijk bijna nooit te worden opgetild.
Ook bij de dierenarts blijft hij op de grond.
Vachtverzorging
Het is van belang
om al vanaf het begin de pup regelmatig te borstelen,
ook al is dat voor de vacht nog helemaal niet nodig. Op die manier kan
hij er alvast aan wennen. Leer de hond om zich zowel rustig staand als
liggend te laten borstelen en er geen spelletje van te maken. Als u de
hond op tafel behandelt, leg er eerst een anti-slipmatje op.
In grote lijnen onderscheiden
we 4 soorten vachten:
a. Korthaar
Eenvoudig in onderhoud,
geen klitvorming. Materiaal: zeem, rubberborstel (vooral in de ruiperiode),
poetsborstel.
b. Kort tot middellang
haar
Dit vergt iets meer
onderhoud. Materiaal: een zachte poetsborstel, een hardere voor het lange
haar, een pinnenborstel en een fijne kam.
Langhaar
Materiaal: harde poetsborstel,
pinnenborstel, wijdgetande kam. In de ruiperiode een universele borstel.
Voor beide geldt:
regelmatig controleren op klitvorming.
c. Ruwhaar
Deze vachten moeten
regelmatig getrimd worden (het dode haar eruit plukken). Materiaal: poetsborstel,
pinnenborstel, wijdgetande kam. En alweer controle op klitvorming.
d. Krulhaar
Deze vachten worden
eveneens regelmatig getrimd. De vachten klitten snel, dus vaak controleren.
Materiaal: universele borstel, pinnenborstel, wijdgetande kam.
Wassen: De hond dient
zo min mogelijk gewassen te worden, een of tweemaal per jaar is zeker genoeg.
Hiervoor een speciale hondenshampoo gebruiken (verkrijgbaar in de dierenspeciaalzaak).
Pas na het wassen op voor kouvatten!
Wat er nog meer
bij hoort
Oren: Deze dienen
regelmatig geïnspecteerd te worden. Zijn ze wat vuil, dan kunnen ze
schoongemaakt worden met een om de vinger gewonden watje met een paar druppels
olijfolie erop.
LET OP! Geen
wattentips gebruiken! De watjes laten vaak los en u duwt het vuil verder
het oor in.
Wanneer het oor ontstoken
lijkt of u constateert een bruin korrelige smeer in de gehoorgang en het
oor ruikt vies (oormijt, zeer besmettelijk) dan uiteraard naar de dierenarts!
Ogen: Wanneer de ogen
wat vuil zijn (viezigheid in de ooghoeken), is het in de meeste gevallen
voldoende om het vuil te verwijderen met een vochtige tissue of een vochtig
watje.
Is de uitvloeiing
wat gelig of groenig van kleur, dan duidt dit meestal op een ontsteking
en moet u met de hond naar de dierenarts. De ogen kunnen we schoonmaken
met wat gekookt lauw water of lauwe thee. Geen boorwater gebruiken, er
zijn honden die daar niet tegen kunnen.
Gebit: Het eerste gebit
van de hond, het melkgebit, komt rond de derde levensweek door. Op een
leeftijd van ca. 4 maanden begint het definitieve gebit door te komen.
Als de tanden door het tandvlees komen, gaan de melktanden loszitten en
vallen er vanzelf uit. Soms blijft er een tand (heel vaak de hoektand,
vooral bij kleine rassen) zitten en moet de dierenarts de tand verwijderen.
Geef de pup een bot om het wisselen te bevorderen. Het definitieve gebit
moet op een leeftijd van 7-8 maanden compleet zijn.
Vooral op latere leeftijd,
maar ook wel eens eerder, komt het voor dat de hond uit zijn bek gaat stinken.
Dit is vaak het gevolg van tandsteen, een bruingele aanslag op de tanden.
(Kalfs)botten of kluifjes van buffelhuid en harde korsten bruinbrood kunnen
tandsteen gedeeltelijk voorkomen, evenals regelmatig poetsen met een heel
zachte tandenborstel of een gaasje. De dierenarts kan deze aanslag eenvoudig
verwijderen. Soms moet de hond daarvoor echter onder narcose. Ook hier
is voorkomen dan ook beter dan genezen.
Nagels:
Bij honden die niet
regelmatig op stenen lopen, zullen de nagels onvoldoende afslijten. We
zullen de nagels van de hond regelmatig moeten knippen of vijlen.
LET OP! Dit knippen
moet heel voorzichtig gebeuren. Men knipt namelijk heel makkelijk in het
leven. Dat is een erg bloederige en voor de hond zeer pijnlijke gewaarwording.
Verder moet u bij
vorst en sneeuw goed op de voeten van uw hond letten. Door strooizout kan
de huid tussen zijn kussentjes geïrriteerd raken. Bij sneeuw kunnen
bovendien gemakkelijk ijsklompjes onder de voeten ontstaan, die de hond
het lopen bemoeilijken. Beide problemen zijn voor een groot deel te voorkomen
door tussen de kussentjes wat vaseline te smeren.
Anaalklieren: De anaalklieren
liggen aan weerszijden van de anus. Bij de ontlasting van de hond worden
deze klieren leeggeperst. Dit scherp ruikende vocht is een herkenningsmiddel
voor andere honden. Deze klieren kunnen bij niet spontaan legen overvol
raken, waardoor ontstekingen kunnen ontstaan.
Verschijnselen: de
hond is onrustig, heeft last van jeuk en irritatie rondom het gebied van
de anus. Hij begint met zijn achterwerk over de grond te schuren ("sleetje
rijden") en bijt zich in veel gevallen kapot, vooral op de rug bij de staartaanzet.
De dierenarts knijpt de anaalklieren uit waardoor het euvel (tijdelijk)
verholpen is. Soms is een operatie waarbij de anaalklieren verwijderd worden
de enige oplossing.
5. GEZONDHEID
De dierenarts
Inentingen: Zelfs
de meest gezonde hond moet af en toe naar de dierenarts. Al was het maar
eenmaal per jaar voor zijn vaccinatie. Waarom is dit zo belangrijk?
Een bekend spreekwoord
zegt: "voorkomen is beter dan genezen". Voor een aantal ziekten geldt dat
voorkomen de enige manier van "genezen" is. Als bepaalde ziekten een niet-gevaccineerde
hond treffen, is zijn kans op gezond worden vaak gering. Soms overleeft
hij dankzij de moderne medicijnen en technieken, maar heeft de ziekte bepaalde
organen dermate aangetast, dat hij nooit volledig herstelt. Als een goed
gevaccineerde hond met dezelfde ziekten in aanraking komt, zal zijn afweersysteem
zodanig reageren dat hij niet of veel minder ziek wordt.
Juist voor de pup,
waarvan het afweersysteem nog niet volledig op gang is gekomen, is het
van levensbelang dat hij is ingeënt. Vaak is de fokker al met een
puppy-enting begonnen. Voordat de pup echter volledig beschermd is, moeten
een aantal vaccinaties nog (meerdere malen) herhaald worden. Wanneer de
pup tegen welke ziekten moet worden ingeënt is, onder meer, afhankelijk
van het merk van het vaccin en van wat u met uw pup wil doen. Wilt u met
uw pup zo snel mogelijk op cursus of op vakantie, vertel het uw dierenarts!
Laat uw pup, voordat hij zijn laatste inenting heeft gehad en daardoor
volledig beschermd is, nog niet uit op een uitlaatveldje.
Welke ziekten hebben
we het hier over? De jaarlijkse cocktail-enting beschermt tegen de volgende
ziekten:
-
hondeziekte (ziekte van
Carré);
-
parvo;
-
corona;
-
ziekte van Weil (leptospirose);
-
leverziekte (hepatitis);
-
kennelhoest (para-influenza).
Als u op vakantie
gaat naar het buitenland, zal uw hond bovendien nog moeten worden ingeënt
tegen hondsdolheid, oftewel rabiës (minimaal 1 maand voor u vertrekt).
In het vaccinatieboekje
dat u van de dierenarts krijgt, staan nog meer wetenswaardigheden over
de hier genoemde ziekten, zoals de symptomen en de verspreidingswijze.
Het immuunsysteem
van de hond profiteert overigens pas volledig van de vaccinatie, als zijn
afweer op het moment van inenting niet al verzwakt is, bijvoorbeeld door
een slechte conditie, een andere ziekteverwekker, bepaalde medicijnen of
door ernstige stress. Let er dus op dat uw hond goed gezond is op het moment
van vaccinatie. De dierenarts zal dit ook controleren.
Bewaar uw inentingsbewijzen
zorgvuldig, deze hebt u nodig wanneer uw hond in een pension moet of als
hij meegaat naar het buitenland. Informeer ook altijd tijdig bij uw dierenarts
wat u dan aan eventuele extra inentingen of bewijzen nodig hebt (zie ook
Vakantie).
De zieke hond. Als
uw hond minder eetlust heeft, meer drinkt of juist helemaal niet, lusteloos
of hangerig is, kortom als hij zich anders dan normaal gedraagt, is het
aan te bevelen om de temperatuur eens op te nemen. Gebruik hiervoor een
(aparte) digitale thermometer. Deze is sneller, minder milieubelastend
en vooral minder gevaarlijk voor uw hond dan de ouderwetse thermometer
(geen kwik!).
De temperatuur opnemen
bij uw hond hoeft zeker geen probleem te zijn. De temperatuur bij honden
wordt rectaal opgenomen. Wrijf het puntje in met wat vaseline of levertraanzalf
en breng hem voorzichtig 2 cm in. Het opnemen duurt ongeveer 2 minuten.
De temperatuur bij
honden varieert, maar in het algemeen gaat men uit van ongeveer 38 C als
normaalwaarde. Zodra uw hond een dag lang een halve graad of meer verhoging
heeft, is dit als abnormaal te beschouwen. Constateert u een ondertemperatuur
(dus onder de normaalwaarden) dan is dit eigenlijk nog verontrustender.
Een bezoek aan de dierenarts moet u dan beslist niet uitstellen. Geef de
zieke hond een warme, tochtvrije plaats!
Het innemen van
medicijnen
Een pil of poeder
kunt u trachten toe te dienen door deze goed in iets lekkers te verpakken,
bijvoorbeeld in gehakt. Als deze poging mislukt, moet u iets anders proberen:
-
U neemt de kin van de
hond in uw ene hand.
-
Met uw andere hand legt
u duim en wijsvinger over de neus van de hond heen en drukt u aan weerszijden
de bovenlippen van de hond tegen de onderkant van zijn bovenkiezen, vlak
achter zijn hoektanden. Omdat dit een beetje pijnlijk is, zal de hond zijn
bek opendoen.
-
U duwt zijn kop een beetje
achterover.
-
U legt, met de hand die
u onder de kin had, de pil ver achter op de tong van de hond (bijna in
zijn keel).
-
Sluit nu de bek, hou het
hoofd nog steeds achterover en strijk even omlaag over de keel. Hierdoor
is de hond gedwongen te slikken.
Bij het ingeven van vloeibaar
medicijn moet u weer het hoofd iets achterover houden, maar nu mag de bek
gesloten zijn. Trek nu de lip een klein beetje uit bij de mondhoek en giet
hierin met een lepel of een pipetje het medicijn. Dit loopt dan in zijn
wangzak en de hond slikt vanzelf.
Uitwendige parasieten
Vlooien zijn wel de
meest bekende parasiet van de hond. Zij veroorzaken jeuk en/of irritatie
van de huid, wat zeker bij een hond met vlooienallergie kan resulteren
in rauwe, exceemachtige plekken. Bovendien zijn vlooien tussengastheer
voor de lintworm, zodat uw hond ook hiermee besmet kan raken. Een vlooienplaag
moet dus absoluut worden bestreden! Op de markt zijn hiervoor veel middelen
te koop: poeders, shampoos, spuitmiddelen, druppels voor op de huid of
door het eten... Informeer ernaar bij uw dierenarts en bij de dierenspeciaalzaak.
Maar wanneer uw hond geen vlooien heeft,
begin dan niet aan preventieve middelen. Mijn honden hebben wel
eens een vlo, maar met de vlooienkam is die zo verdwenen, en mijn honden
hebben nog nooit middelen tegen vlooien gehad. Ik ga ervan uit dat
ze daardoor een natuurlijke weerstand tegen vlooien hebben ontwikkeld.
Gebruik een vlooienband
niet bij zieke of herstellende dieren en gebruik de band niet bij honden
jonger dan 3 maanden.
Teken komen vooral
in de zomer voor. Teken nestelen zich bij voorkeur op dunbehaarde gedeelten,
zoals op het hoofd en de poten. Ze bijten zich vast door hun kop in de
huid te boren. Ze zuigen zich vol met bloed en kunnen wel 1 cm groot worden.
Overigens kunt u zelf ook door een teek gebeten worden. Dergelijke beten
zijn beslist niet ongevaarlijk, daar teken diverse ernstige ziekten kunnen
overbrengen. In Nederland is dat vooral de ziekte van Lyme. Indien deze
ziekte in het begin niet goed wordt behandeld, is zij moeilijk te genezen
en veroorzaakt o.a. (zeer pijnlijke) aandoeningen aan gewrichten, hart
en zenuwstelsel.
Als u of uw hond gebeten
is, noteert u de datum van de beet. Als u binnen drie weken rond de plek
van de beet een rode ring constateert of last krijgt van griepverschijnselen,
of merkt dat de hond niet in orde is, moet u naar de huis- c.q. dierenarts.
Deze kan in dit vroege stadium de ziekte effectief behandelen met antibiotica.
Een teek verwijderen
gaat als volgt: pak de teek tegen de huid van de hond beet met een tekentang
of tussen duim en wijsvinger (niet platdrukken!), draai hem 180 en trek
hem er dan uit. De kop moet er uit zijn. Zo niet, dan veroorzaakt dit vaak
een nare ontsteking. Na het verwijderen moet u de huid rond de plaats van
de beet ontsmetten.
LET OP! Nooit
de teek verdoven met bijvoorbeeld alcohol of ether. Dit wordt vaak aangeraden,
maar is achterhaald. De teek gaat hierdoor namelijk braken, waardoor hij
juist ziekten zal overbrengen.
Luizen zijn er in twee
soorten:
-
de haarluis, die zich
voedt met haarschilfers en huidvet;
-
de bloedluis, die zich
voedt met bloed van de hond, de huid beschadigt en zelfs bloedarmoede kan
veroorzaken. Deze soort komt het meest voor.
Luizen zijn herkenbaar
aan langgerekte witte stippen (neten) op de haren van de hond.
Mijten zijn heel klein,
nauwelijks te zien. Mijten graven gangen in de huid waarin de eieren worden
gelegd. Het veroorzaakt irritatie van de huid, kale plekken en ontstekingen.
Inwendige parasieten
Lintwormen loopt de
hond op door hun tussengastheer de vlo op te eten. De volwassen lintworm
haakt met zijn kop vast in de darmen van de hond. Zijn lijf bestaat uit
vele segmenten met daarop de eitjes. Geregeld wordt zo'n segmentje losgelaten
en komt het in de ontlasting terecht. Het ziet er dan uit als een plat
plaatje. Opgedroogde segmenten lijken op rijstkorrels en zijn vaak te vinden
rond de anus. Lintwormen bestrijden heeft overigens pas zin als ook het
vlooienprobleem wordt aangepakt.
Spoelwormen komen vooral
bij pups voor, omdat deze nog niet voldoende weerstand hiertegen hebben
opgebouwd. De pups krijgen de spoelworm door van de moeder en later door
contact met besmette voorwerpen. Verschijnselen: magerheid, dof haar, gebrek
aan eetlust en bij een zware infectie dikke ronde buikjes (wormbuikjes).
Trouwens, ook mensen kunnen met spoelwormen besmet raken.
Dit waren de twee belangrijkste
soorten wormen waarmee de hond besmet kan raken. Er bestaan er echter nog
meer. In verband met alle soorten wormen die bij de hond voorkomen, raden
wij aan uw hond minstens tweemaal per jaar te ontwormen, waarbij een van
beide keren liefst één week voor de inenting.
Wanneer u denkt een
of meer van voornoemde parasieten te hebben geconstateerd, dan is het goed
uw dierenarts te raadplegen. Ook hier geldt weer: voorkomen is beter dan
genezen! Hou het hondenverblijf goed schoon, let regelmatig op de ontlasting
en hou steeds de totale gezondheid van de hond in de gaten.
De teef
Loopsheid. Teven worden
gewoonlijk voor het eerst loops wanneer ze ongeveer 9 à 10 maanden
oud zijn, maar binnen de grenzen van 6-18 maanden is het optreden van een
eerste loopsheid nog steeds normaal. Na die eerste keer wordt de teef ongeveer
om de 6 maanden opnieuw loops. Kortere of langere tussenpozen vormen geen
reden tot ongerustheid. De totale loopsheid duurt ongeveer 3 weken. Tussen
de 8e en de 16e dag vindt gewoonlijk de ovulatie plaats en is de teef bereid
zich te laten dekken. Mogelijk zal zij zelf weglopen om een geschikte partner
te vinden - vandaar de naam "loops". De eerste 10 dagen is de uitvloeiing
wat bloederig, daarna wordt het wat lichter van kleur. De hoeveelheid uitvloeiing
is bij elke teef weer anders.
Wordt het teefje,
ondanks alle oplettendheid, toch gedekt, dan bestaat de mogelijkheid haar
door de dierenarts een injectie te laten geven (morning-after prik). In
de meeste gevallen wordt hiermee wel een nestje voorkomen, maar er zijn
toch duidelijke nadelen. De loopsheidperiode wordt verlengd (duurt vaak
tweemaal zo lang als normaal) en er is een vrij grote kans op baarmoederontsteking.
Al met al reden genoeg om uw teefje goed in te gaten te houden tijdens
de loopsheid.
De prikpil voorkomt
de loopsheid. De dierenarts spuit een hormoon in waarmee de loopsheid wordt
onderdrukt. De werking van dit hormoon is 6-9 maanden. Wilt u met uw teefje
een nestje fokken, laat haar dan nooit inspuiten.
Castratie wordt in
de volksmond meestal "sterilisatie" genoemd. Het houdt in dat de baarmoeder
en de eierstokken op operatieve wijze worden verwijderd, met als prettige
bijkomstigheid dat uw teefje niet meer loops wordt. De arts haalt immers
alles weg. Dit kan al na de eerste loopsheid. Na deze ingreep moet u uw
teefje wel minder te eten geven, omdat ze sneller dik zal worden.
Sterilisatie: Hierbij
worden alleen de eileiders afgebonden. Het teefje wordt hierna gewoon weer
loops. Deze ingreep wordt bijna nooit toegepast.
Schijnzwangerschap
treedt dikwijls ongeveer 8 à 10 weken na het begin van de loopsheid
op. Verschijnselen: de hond is erg aanhankelijk, sloom, de tepels kunnen
opzwellen en zelfs melk afgeven.
Het teefje vertoont
nestdrift: het gaat bijvoorbeeld met allerlei materiaal lopen slepen en
zoekt een eigen plekje waar dit allemaal naar toe wordt gebracht. Dit kan
voor uw interieur overigens soms destructieve vormen aannemen. Meestal
is er weinig aan te doen. De eigenaar kan er wel wat voor geven, maar dat
zijn weer hormonen! Veel bewegen en minder eten helpt vaak heel goed.
De reu
De reu kan vaak last
hebben van een ontsteking van de voorhuid van de penis. U ontdekt dit doordat
er wat gele pus uitkomt en de reu soms wat druppels verliest. Het is bijna
niet te voorkomen. De reu ligt op de grond, op het zand of op het gras,
vuil dringt naar binnen en veroorzaakt zo een ontsteking. Bij erge ontsteking
kunt u bij de dierenarts een zgn. voorhuidcleaner krijgen, waarmee u de
voorhuid regelmatig kunt schoonmaken. Als u een dergelijke ontsteking verwaarloost,
kan het zijn dat deze niet meer weggaat of steeds weer terugkomt. De ontsteking
is dan chronisch geworden.
Castratie
van de reu moet goed worden overwogen en eigenlijk alleen worden toegepast
in een onhoudbare situatie, bijvoorbeeld als hij overmatig seksueel geprikkeld
is of zeer agressief gedrag tegen in hoofdzaak andere reuen vertoont. Overleg
met de dierenarts de voor- en nadelen. Na deze ingreep moet u uw reu wel
minder te eten geven, omdat hij sneller dik zal worden.
Chemische castratie
is een tijdelijke variant hierop. De hond krijgt een injectie die bepaalde
hormonen tijdelijk (ongeveer 3 maanden) onderdrukt. Met chemische castratie
kunt u uitproberen of een definitieve, operatieve castratie wel de oplossing
voor het (gedrags)probleem is.
TIP: Hou het
nummer van de dierenarts binnen handbereik bij de telefoon of programmeer
het onder een toets. |